elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pek 

pek , pik , (onzijdig) , pek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pek  , paek , pek.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pek , pik , zelfstandig naamwoord ’t/de , Het pek. Verkleinvorm pikkie, in de zegswijze ’t is pikkie donker, het is pikdonker.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pek , pik , zelfstandig naamwoord de , Zie pikgrond.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pek , pik , pek , het , Ook pek = 1. pek Het is zo glad as pek (Rui), ...zwart as pek (Bco), Dat is pek in het vuur olie op het vuur (Klv), Het is pik in het vuur bij die twee buren hommeles (Wes), De kwaojonges kauwt op stukken pek. IJ kriegt er mooie, witte tanden van (Eex), Vrogger worde veur het klaormaken van schepen ok pek gebruukt (Hgv), Zie trökken het touw deur pik en dan kreej pikdraod (Sle), Hij hef de hele boks vol pik en teer (And), Van een goedkope piep zeden ze dat die een bieter har van pik en teer (Sle) 2. plaksel (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.) Doe er maar wat mèer pik an, dan zit het beter (Zwe) 3. kracht (Zuidoost-Drents zandgebied) Den hef wal pik in de mouwen is sterk (Pdh) *Pik, teer en taarpentien / Smeer het mor op mien bochelie / En dan nog een keer met teer / Dan döt mien bochelie nooit meer zeer (Row); Kist doe wel huil rad achter mekaor zeggen: Rond kloetje pik, plat kloetje pik? (Erf); Aj mit pek umme gaot, woj der mit besmet (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pek , pik , pek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pek , pik , pek, iets wat kleeft.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pek , pik , pikke, pek , zelfstandig naamwoord , de; bep. kleverige, zwarte, zeer brandbare stof, pek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pek , pèk , teer
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pek , paek , (mannelijk) , pek, teer
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pek , pèk , zelfstandig naamwoord , WBD de eerste uitwerpselen v.e. veulen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut