elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pauw 

pauw  , pouw , pauw.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pauw , pauw , pauwe, paauw, paauwe , de , pauwen , Ook pauwe (Zuidwest-Drenthe), paauw (Kop van Drenthe), paauwe (Veenkoloniën) = pauw De pauwen gaot zo tekeer, wij kriegt regen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pauw , pauwe , pauw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pauw , pauw , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. vogel: pauw 2. iemand die graag pronkt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pauw , pauwe , (zelfstandig naamwoord) , pauw.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut