elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: patrijs 

patrijs , petries , patrijs. Zie ook: kieft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
patrijs  , petries , patrijs.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
patrijs , petriize , vrouwelijk , petriizen , patrijs
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
patrijs , patrieze , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , patriezn , patriesken , patrijs
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
patrijs , petreesj , patrijs, zonder onderscheid van geslacht.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
patrijs , petrieze , patrijs; * minne petrieze: onprettig (“min”) persoon.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
patrijs , petries , patries , de , petriezen , Ook patries = 1. patrijs, Perdex perdix De hond sprung midden maank de petriezen (Gas), Hij is zo wies as een petries (Pdh) 2. van een persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat een minne petries, wat een gemiene loeder (Dwij), Een wies petries wil niks van een aander annimmen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
patrijs , petrieze , patrijs.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
patrijs , petriis , patrijzen , De petriis zén wir ûtgevlooge want ik zie gereegeld 'n paor klóchte vliege. De patrijzen zijn weer uitgevlogen want ik zie regelmatig een paar kluchten vliegen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
patrijs , petries , petrieze , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. vogel: patrijs 2. patrijsleghorn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
patrijs , petrijs , zelfstandig naamwoord , petrijze , petrijssie , patrijs
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
patrijs , petrieze , (zelfstandig naamwoord) , patrijs, veldhoen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
patrijs , petries , (vrouwelijk) , petrieze , petrieske , patrijs
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
patrijs , petrèès , zelfstandig naamwoord , patrijs (Perdix perdix); Verkleinwoord: petrèske; Dialectenquête 1879: petrêze - patrijzen (voor ê vgl. 'gête' - geiten); De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. - patrijs; mv. 'patrees'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
patrijs , petrie~s , patrijs
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut