elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Pasen 

Pasen , Paasse , Paasschen.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
Pasen , paoschen , Paschen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
Pasen , poas , poaske , poas (Ommelanden) = poaske (Oldampt, Westerwolde enz.) = Paschen. Dit feest wordt overal door het eten van stoet en aier (wittebrood en eieren) gevierd. In ’t Westerkwartier, en in de Ommelanden ten minste op het Hoogeland, heeft men daarenboven ook: lutje Poas (beloken Paschen), dat is de eerstvolgende Zondag na Paschen; ook dan kan het boerenvolk zooveel stoet en aier eten als zij verkiezen, nl. des middags. Dien tijd noemt men de week tusken baide poasken. Zegswijs: as poas (of: poaske) en pinkster op ìjn dag komen = as poas op soaterdag komt en de kalver op ’t ies dansen, ook: as de jeuden spek eten = het Nederlandsch: op Sint Jutmis, wanneer de kalvers op het ijs dansen, zooveel als: dit, of: dat gebeurt nimmer. Spreekwoord: ’n Gruine Midwinter ’n witte Poas = is het omstreeks Kerstmis zacht weder dan heeft men met Paschen koud en guur weder (sneeuw en hagel) te wachten. Oostfriesch pâske, pâsken, Deensch paaske.
poasken meervoud van: poas.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Pasen  , paosse , Paschen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
Pasen , Paoschen , Pasen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
Pasen , poaskn , Pasen. Te poaskn komm, slecht te pas komen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
Pasen , Pósse , m , Pasen, Paasfeest Pósse hoûwe Paasfeest vieren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
Pasen , pòsse , Pasen; de pòsse haawe, de Paascommunie doen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
Pasen , Paose , zelfstandig naamwoord , Pasen. Op het Hoogfeest van Pasen moeten Roomsen hunne Paose haawe, d.w.z. ze moeten hun Paosbiecht spreejke en d’r Paoskemuunie doen. Veel mensen kochten dan ’n nieuw pak. Ze kleedden zich op d’r Paosbist. Weer of geen weer lieten de boeren hun overjas uit om hem met Allerheiligen weer aan te trekken. Vanaf Goede Vrijdag werden de klokken uit rouw niet meer geluid. Die waren “vertrokken naar Rome”, waar ze door de Paus gevuld werden met eieren. Op Eerste Paasdag werden die uitgestrooid boven Beek. De kinderen mochten de Paosaajer zoeken die op vreemde plaatsen verstopt waren. Volgens anderen waren die eieren gelegd door het Paoshènneke. Om het dat merkwaardige dier wat makkelijker te maken werden dikwijls daags te voren Paosnisjes (nestjes) in heggen en struiken geplaatst. De allochtone Paashaas kwam in het spel nog niet voor. De eieren, mooi gekleurd, werden tegen elkaar getikt. Wiens ei het langste heel bleef was de winnaar. Onder het aajkestikke zong men: Eén aaj is gin aaj. / Twee aaj is ’n half aaj. / Drie aaj is ’n Paosaaj.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
Pasen , Paoschen , Paosen, Paosken , de , Paoschens , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook Paosen, (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), Paosken (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. Pasen As het met Paosen mooi weer is, dan gaow nog een dag oet (Hijk), Mit Paosen gungen de kinder altied eier zuiken (Ros), Wie hebt het zo drok as de huinder veur Paosken (Bov), Dat krieg ij, as Paosen en Pinkstern op ien dag is nooit (Sle) 2. (r.-k.) paascommunie Hij moet zien Paosen nog holden (Klv) *Zoas met Paoschen de wind zit, zit e met Pinkstern (Pdh); Grune karstdaegen gef nog wel ies een witte Paosen (Dwi); Ain gruine midwinter brengt een zore Paosen (Vtm); Het ga zo het wil, Paosen valt miestal in april (Pdh), z. ook bij Pinkstern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Pasen , Paosen , Pasen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
Pasen , paosen , pasen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
Pasen , Paosn , Pasen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
Pasen , pôsse , pasen , Meej pôsse zén de manne smééreges al vruug wakker, ze wulle pôsaojer gôn zuuke. Met Pasen zijn de kinderen al vroeg wakker, ze willen paaseieren gaan zoeken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
Pasen , Paosken , Paoske, Paosen, Paos , zelfstandig naamwoord , de; bekend christelijk feest: Pasen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Pasen , Paose , uitdrukking , Een lange lente voor Paose Gezegd van een lange jongen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
Pasen , Pôsse , Pasen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
Pasen , Paosen , (zelfstandig naamwoord) , Pasen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
Pasen , Pòsse , Pasen , Ge krét dè as Pòsse én Pinkstere óp innen dag valle. Je krijgt dat als Pasen en Pinksteren op een dag vallen. Je krijgt het dus nooit.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
Pasen , Paose , (vrouwelijk) , Pasen , Es Paose en Pinkste op einen daag valle: dus nooit. Ziene Paose haoje: in de Goede Week biechten, met Pasen naar de H. Mis en ter communie gaan; de laatste sacramenten ontvangen.: in de Goede Week biechten, met Pasen naar de H. Mis en ter communie gaan; de laatste sacramenten ontvangen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Pasen , Paose , zelfstandig naamwoord , " zie zie ook: Pòssemis; Pasen; – Meej de Paose zèmme ammòl int nuut. - Met Pasen hebben we allemaal nieuwe kleren aan. Pierre van Beek – De molenaars schijnen vroeger bij het volk een niet al te goede reputatie te hebben genoten. Vanwaar anders de uitdrukking: ""Als de mulder z'ne Paosen gehouwen heej, is de pastoor deur z'n werk""? Hieruit blijkt, dat men aannam, dat een mulder ieder jaar nogal wat op zijn geweten heeft en daarom zijn Paasbiecht maar liefst tot het laatste moment uitstelt. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950); Pierre van Beek – Komt men ""als Jan met kraaien naor de mert (markt)"" of ""mee vijgen nao Paosen"" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950); Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): Paose zn - Pasen; Cees Robben – Bij unne Paose paast ’n aaike. (19540417) ; Cees Robben – “Ieder die z’n asse-kröske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastôôr ’n pekske...”/ zee meneer den kapelaon..... (19550226) ; Cees Robben – “Vur Paose is ’t paase” zee Snijers... (19550402) [De prent refereert aan de gewoonte om ter gelegenheid van Pasen nieuwe kleding te kopen – ‘Paasbest’. Vandaar ‘paase’, passen, bij de kleermaker genaamd Snijers.]; Cees Robben - ’t Is kazzjewêêel die kiep van mèn.../ zô zörgt ze vur de Paose... (19550312); uitdrukking: oud nieuws brengen; Cees Robben – [ge] komt bij men meej oew aaier nao de Paose..! (19590328); Meej Paose eet ik harde aaier/ dès lèkker, daor geniet ik van/ behalve en paor daoge laoter/ ak nie mir nòr de plee toe kan. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Mee Paose‘); Gingde meej Paosen nie te communie, en ge kwaamt te stèèrve, dan gingde linea recta naor de hel. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Brabantse Spreekwoorden, Mandos: as de mölder zene Paose gehaawen heej, is de pestoor dur zen wèèrk (Pierre van Beek: TT’64) Molenaars stonden als oneerlijk bekend; ze gingen hun paasbiecht spreken op het allerlaatste moment, nl. op de zaterdag na Pasen. Brabantse Spreekwoorden, Mandos: Meej de Paose krèège me mik óp mik èn kèès dertusse (D'16) Uit de tijd toen wittebrood, 'mik', nog luxe was. Brabantse Spreekwoorden, Mandos: ge zèèt nèt zó rap òn Paosen as ikke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd tegen iemand die wat hard van stapel dreigt te lopen; Brabantse Spreekwoorden, Mandos: meej pielepaose - Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): antwoord op de vraag Wanneer?"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
Pasen , Passe , Pasen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut