elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: parel 

parel , pèrle , (vrouwelijk) , pèrlen , paarl.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
parel  , paerel , parel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
parel , parel , paorel , de , parels , Ook paorel (Kop van Drenthe, in bet. 1.) = 1. parel Der was een parel oet de ketting (Sle) 2. aardappelras Verleden jaor verbouwden wij Parel (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
parel , perl , parel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
parel , parel , perel , zelfstandig naamwoord , de; parel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
parel , paerel , zelfstandig naamwoord , paerels , paerelties , [Obl] parel Ze droog gouwe mussespelde met paerelties
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
parel , perrel , parel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut