elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: palissade 

palissade  , pallesaot , palissade.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
palissade , pallesaod , (zelfstandig naamwoord) , palissade.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
palissade , pallesaot , zelfstandig naamwoord , lange slungel (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
palissade , pallissaoj , zelfstandig naamwoord , palissade, paal-omheining; Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'palissaoj'; De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'pallesáat' (woord met vage bet. dat men gebruikt voor kleine kinderen; 'enen klaene pallesóo't' - een klein kind. Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PALLESAAT (klemt. op saat) zelfstandig naamwoord m. - mager, lang opgeschoten mensch. 'Ne pallesaat van e meisken. 'Ne lange pallesaat. (Fr. palissade); WNT PALISSADE - omheining van palen of staken in den grond
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut