elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: paf 

paf , paf , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Tabak of sigaren van slechte kwaliteit. || Ik lust die paf niet. As ik weinig duiten heb, koop ik altijd paf, want dan ken ik gien dure sigaren betalen. – Evenzo elders in Holl. – Vgl. Ned., Oost-Fri., Ndd. paffen, luid, hoorbaar roken; sterk smoken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
paf  , paf , Paf van staon, verbaasd staan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
paf , [onverwachts] , paaf , onverwachts, rechtuit , Emes paaf get in ’t gezich(t) zègke. Hae veel paaf oppe gróndj. Paaf t’r op: onmiddellijk daarna.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
paf , paaf , (mannelijk) , pave , 1. knal 2. slag, pats , Paaf, toen sjoeat d’r de vogel aaf.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut