elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pad 

pad , pad , eenen kleinen of binnenweg, eigenlijk voetweg, want wegen welke met karren bereden worden geeft men nooit dezen naam, althans niet als het groote of m
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pad , pad , niet onz. Vergel. Ps. 119, 105. Spr. I. 15, II, 9. Dimint: paddien.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
pad , perre , (vrouwelijk) , pad.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
pad , pad , (onzijdig) , pade , pad.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pad , padde , pedde , (vrouwelijk) , padden, pedden , pad.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pad , pōr , porre, pōd, pōrre , pad (dier); Friesch pod, Zeel. pud = kikvorsch; Kil. Podde; Oostfriesch pü̂r, pûr. (Bij v. Dale puit = kikker.) Zegswijs: zōk vermoaken as ’n pōr op ’n klaikloet = vrij wat inbeelding hebben, zeer met zich zelven ingenomen zijn. Vergelijking: grau as ’n pōr, van waschgoed gezegd dat niet helder is. Vgl. har = had; klar = klad, enz.
pōd (Ommelanden) = pad. Vergelijking: gierîg as’n pōd – zij (of: hij) wil ’n pōd villen om ’n oortje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pad , pad , in: op ’n pad, ook: om padan de loop, bij v. Dale: op pad, op den loop; ien ’t pad = in den weg. Voor: weg, straat: bie ’t pad loopen = bij de straat (of den weg) slenteren. Zegswijs: ie kennen ’t pad wel warm hol’n, wanneer iemand dikwijls, in korten tijd, denzelfden weg (heen en terug) aflegt (v. Dale: de baan warm houden = gestadig op de schaatsen zijn.) Schertsend zegt men: ’t pad gait bie deur langs = dat kind kan wel van een ander zijn, daar zou ik mij maar niet op beroemen. Vgl. Hooft: Waarop zij koelmoedelijk antwoordde, dat de wegh voorbij de deur lagh. (Ned. Hist. fol. 337).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pad , pad , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zegsw. Pad ofgaan (met hoofdtoon op of), het pad afgaan, naar huis gaan, van de knechts op een molen. || Ik gaan pad of. Zie zo, de zeilen achter de klamp en pad of. – Het pad of gaan, ook voor weggejaagd worden. || Toe ’et uitkwam, dat-i ’estolen had, most-i ’et pad of. – Vgl. de samenst. Kattepad, paardepadje, Pantepad, Papepad, plankepad, Poelerpad, Relkepad, slimpad, Sluispad, Weerpad.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pad , pad , in op ’n pad, of: om pad en bie ’t pad = an de loop = op weg (bij v. Dale: op pad en op den loop); zoo ook ien ’t pad, voor: in den weg, maar oet de weeg voor: uit den weg; verder de zegswijze: ie kennen ’t pad wel warm hollen! als iemand dikwijls heen en terug denzelfden weg aflegt. Bij van Dale: de baan warmhouden = voortdurend op schaatsen zijn, ook figuurlijk = voortdurend werken. Vgl. ovenblik .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pad , pōr* , (1); bij van Dale: puit = kikker.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pad , pod , podde, pad , (pòt) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkorte vorm van podde. – 1) Zeker dier. Pad, padde. || Jongens daarzo gaat ’en pod. Der benne veul podden op ’et erf. – Evenzo elders in N.-Holl., in Friesl. en in Gron. – Het woord is ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers gewoon. || ’k Verbeetmen noch, maer ick swol ommen kop als een podd, COSTER, Rijcke-Man 563. Die om podden te marrickt gaet, is wel belust om vleys, BREDERO, Klucht v. d. Koe 462. Gy Slackje, gy Spinnetje, gy Poddetje, gy Kickertje, Moortje 2068. – Zie poddik, en vgl. de samenst. poddeblad, poddehaar, poddehok, Poddekamp, poddestoel, poddevillertje. 2) Neusvuil, dat met de vinger uit de neus wordt geplukt. Vooral in de uitdr. podden vangen, podden zoeken, in de neus plukken. || Ben-je weer an ’t podden vangen? Hij zit podden te zoeken. Veeg je wang of, der zit pod op. – Evenzo te Amsterdam. – Vgl. Oost-Fri. pûre, pad, dat eveneens in de zin van neusvuil gebruikt wordt (KOOLMAN 2, 755). – Met vat pod in deze zin op als een bijzondere toepassing van de bet. 1; daar echter in het Saksische deel van ons land een woord podde, vuil (als gevolg van onzindelijkheid), voorkomt, is het twijfelachtig of beide woorden inderdaad identisch zijn. 3) Bij de molenmakerij. Zeker soort van klamp aan de molenroeden. Een naar de uiteinden rond aflopend houten blokje van een paar dm, en enige cm breed en dik, met een langwerpig-vierkant gat in het midden voor het doorsteken van touwen. De podden zitten dicht bij de as en worden gebruikt bij het vastmaken der zeilen. – Andere klampen en wervels dragen de naam van kikkers en kieften.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pad , paddĕ , pad.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
pad  , paad , paei , paedje , pad.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pad  , ped , pad (dier). Zoeë diek as ein ped, zoo dik zijn als een pad.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pad , pad , onzijdig , pää , päächien , pad. Het päächien heette het vroegere voetpad aan de noordkant van de straat. (Een zandpad, later vervangen door klinkers); te patte gaon: op pad gaan.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pad , parre , vrouwelijk , parren , pad (amfibie)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pad , pat , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pàtte , pàtjen , voetpad
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pad , perre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , pern , perreken , 1 pad, 2 venijnige man
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pad , pad , m , paoj , pedje(s) , pad, paden, paadje(s) De pad Het pad
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pad , porre , pad (dier)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pad , porre , droge neusklad
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pad , padje , zelfstandig naamwoord ’t , Paadje. Zegswijze ’t padje swart (reêuw) loupe, geregeld op bezoek komen (met een bepaald doel). | Hai is op slot toch trouwd an Trien, maar hai het wel ’t padje swart loupe moeten om ’r te kroigen. – Z’n (’t) padje inkorte, naar huis gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pad , pod , zelfstandig naamwoord de , 1. Variant van pad (dier). Vgl. Fries pod(de).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pad , paad , ónverhárd wegske; schej inne hoar.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
pad , pa , voetpad.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
pad , paegien , weggetje.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pad , porre , zie: podde.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pad , pädde , pad; * een eingwieze pädde: een eigenwijs persoon.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pad , paegie , paadje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pad , pad , het , paden, pa (Zuidoost-Drents zandgebied), paan (po) , Vaak verkl. = pad Dat pad, dat löp achter naor de wieke (Eri), Het pad achter de koene is te smal (Pdh), Hij kan het padtie wal warm holden (Klv), ...zwart holden hij komt er vaak (Die), ook Hij lop der een zwart pad hen hij komt er veel (Sle), Hij is al vro an ’t pad bij de weg (Sle), Die jong zwaarft altied bij ’t pad (Dwi), Niervet kan je mal in het pad zitten in de weg (Bal), Hij is op het goede pad op de goede weg (Bor), Het pad geet niet altied over rozen (Dro), Iene op het slechte pad brengen (Hoh), Zij brengt altied praoties op ’t pad (Zdw), Zij zal het wel bij ’t pad brengen rondvertellen (Hgv), Hij vrag naor een kundig pad bekende weg (Eex), Waor gaoj hen? Antw. Neus nao, padtie langs, schaopekeutels zeuiken (Anl) *Op aalmans pad gruit gien gras gezegd van kinderloze vrouwen (wb), of van vrouwen, die met iedereen vrijen (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pad , padde , parre, por, porre, podde , de , padden , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook parre (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord), por (Midden-Drenthe), porre (Veenkoloniën, Kop van Drenthe), podde (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = pad Hij is zo dartel as een padde (Eli), Ik bin zo dik as een parre heb veel gegeten (Eri), Dat mes is zo stomp as een podde (Sle), Zij vertelden dat de padden je in de ogen kunden miegen en daj der dan blind van kunden worden (Pdh), As een kruusspinne een padde prebeert te vergiftigen, begunt de padde hoefblad te vreten en dan giet het vergif weer weg (Klv), De padden kroept, wij kriegt règen (Ruw), Kniezen as een podde op de kloeten (N:be:Rod), Hij krimpt as een podde op de snai (N:be:Rod), As een vrouwe in verwachting was en zij schruk veur een padde en zij sleut van schrik mit de haand in de nekke, dan had heur kiend bij de geboorte een vlekke in de nekke zitten, in de vorm van een padde zo ontstaat een ‘wijnvlek’ (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pad , padde , de , padden , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = paddestoelvormige tol, glazenspringer
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pad , páád , pad (dier). mv. padden, verkl. pèdje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pad , pad , voetpad. mv. peei en paoi. verkl. pètje, peeike.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pad , pad , paden , patien, pagien , (verkleinwoord patien (Kampen) / pagien (Kampereiland, Kamperveen)), (loop)pad
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pad , padde , pad (amfibie)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pad , pâdde , pad (dier).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pad , paechien , paadje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pad , pédje , pèèjke , paadje, weggetje , Un pédje is 'n smal zandwègske, wat'ter gekomme is dur't lóópe van mènse of biste. Een paadje is 'n smal zandweggetje, wat er gekomen is door 't lopen van mens of dier.
Aauw mènse zègge nie pédje mér pèèjke teege 'n hiil smal zandwègske. Oude mensen zeggen niet 'pédje' maar paadje tegen een heel smal zandweggetje.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pad , podde , porre , zelfstandig naamwoord , de, et 1. bep. kikvorsachtig dier: pad 2. kleine persoon (soms ook: die vinnig, bijdehand, ondeugend of eigenaardig is), ook: iemand met een ronde rug, (klein) kind, klein dier 3. iemand die zich langzaam beweegt 4. korstje, korreltje aan de oogleden, door het slapen ontstaan 5. stuk neusvuil
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pad , pad , zelfstandig naamwoord , et 1. pad, ook: smalle, niet verharde weg, ook wel breed maar dan steeds onverhard; ook: verhard fietspad, voetpad e.d. 2. staat, begaanbaarheid van paden, wegen 3. levensweg 4. te volgen richting
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pad , pad , zelfstandig naamwoord , paeje , paechie, padjie , pad D’r lôôpe twêê paeje deur de waai, êên dwarsdeur en êên langs de slôôskant, mè wat klaainere paechies d’r tusse Er lopen twee paden door de wei, één er dwars overheen en één langs de slootkant, met een aantal kleinere paadjes er tussen; De pad op Op weg, onderweg Hij iste pad op om an de kost te komme; Hij houdte pad werrem Hij loopt er vaak naar toe; Ik gaote pad opkorte Ik ga eens naar huis, ik stap eens op Ook paechie; Opte pad Op weg, onderweg Je bin nog laet opte pad Je bent nog laat op weg Hij’s nie thuis, hij’s opte pad Hij is niet thuis, hij is weg Ook De pad op; Ik gaot m’n paechie maor is opkorte Ik ga maar eens naar huis Zie pad; paechie, [meervoud] paechies, onbestraat pad of smal pad tussen groenteperken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pad , padder , zelfstandig naamwoord , padders , paddertie , 1. dikke vette man (onvriendelijk bedoeld) 2. pad of kikker
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pad , kooje pad , kooje weg , slecht pad
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pad , pèdje , paadje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pad , pèèjke , paadje
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
pad , padde , (zelfstandig naamwoord) , 1. pad, kikker; 2. dik, klein persoon. Wat een dikke padde is dät mense.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pad , pad , (uit de pad) opzij , gao di’s uit de pad want ge stao flienk in de weg = ga eens opzij want je staat behoorlijk in de weg-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
pad , padje , paadje , ’n zaandpadje = een zandweggetje-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
pad , pèèjke , paadje. Een door loopgedrag ontstaan weggetje.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
pad , pad , padde, parre, pärre , 1. pad; 2. kleine man of kleine vrouw; 3. dikke man of dikke vrouw; 4. eigenwijs persoon; paddebobbes, dikke, domme vrouw (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pad , paad , (onzijdig) , paej , paedje , pad , Dae is ouch wied van ’t paad aaf: hij is aan ’t verkindsen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pad , pad , ped , (vrouwelijk) , padde, pedde , pad, soort kikker
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pad , pad , zelfstandig naamwoord , paoj , paojke , pad, weg; verkleinwoord: padje, pèdje, paojke, pòjke; zie pèdje; zie paojke; Dirk Boutkan: plur.: paoje (36); De paoikes in et bos ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘In et bos’, 1941); Cees Robben: et was er stil daor op den pad; WS: et Riels padje; Hoeufft: ... 'pad' wordt in het mannelijk geslacht gebezigd. [de pad]; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): paajke zn - paadje; Brabantse Spreekwoorden, Mandos: langs den hòfpad gescheeten hèbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben (in Tilburg: pad(de)scheet). WBD III.3.1:402 'pad, padje' = pad; ook: 'zandpad, weg'; paoj; Henk van Rijen (1998): paden (plur. van 'pad'); Elie van Schilt - Lòòp ik dan te waandelen over al die paoi./ Dan zie ik ze daor liggen, veul goei mar ok veul kaoi. (Uit: ‘Irst Allerheiligen’; CuBra ca. 2000); paojke; paadje, padje; — verkleinwoord  van 'pad', via plur. 'paden; paoden' met d-syncope; Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): paojke; En fietspaoike dwars dur de stad!!/ Et zal er tòch van koome. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin kaans om te waandele); Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): paddeken en paaiken - voetweg; zie pad; zie pèdje; pèdje; 1. landweggetje; verkleinwoord  van 'pad', met umlaut; ook paojke; 2. padje, smalle doorgang, middenpad; dan als verkleinwoord altijd pèdje, niet paojke; …wij die twee aon twee in de banken zaten in vier rijen meej un pedje dertussen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Audioregistratie 1978 - Nèffe de tramlijn was en zwart, zwart pèdje daor ze kosse fietse vort. Nèffe de kaajwèg… (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels);
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
pad , paad , paej , pádje , pad; voetpad
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
pad , ped , pedde , pedje , pad (amfibie)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut