elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: overschieten 

overschieten  , euverscheete , overschieten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
overschieten , óverskiete , werkwoord , Ook: erbij inschieten, niet doorgaan. | Hai zou vedaag komme te ploegen, maar ik ben bang, dat ’t óverskiet. ’t Is er deur al die drukte bai overskôten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
overschieten , overschieten , sterk werkwoord, onovergankelijk , overschieten Der schöt niks van aover van ’t jaor (Hol), Een allienloper is iene, die der overschöt (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
overschieten , [overblijven] , ooverschiejte , overblijven, overschieten , Ge zâlt ’r nog hèndig ooverschiejte. Je kunt nog wel eens alleen overblijven. Je blijft wellicht vrijgezel., ’r Schoot vur mén niks oover. Er bleef voor mij niets over.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
overschieten , ooverschiete , sterk werkwoord , in de uitdrukking: Cees Robben – Z’n ôôge overschieten... [even de ogen dichtdoen, een dutje doen] (19800314)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut