elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mug 

mug , mügge , (vrouwelijk) , mug.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mug , mug , mugge , vlieg, met name de zwarte dagvlieg; verkleinwoord: muktje, inzonderheid voor de kleine soorten van vliegen. Bij v. Dale: mug = zeker tweevleugelig insect, en = vlieg. Dit laatste wordt hier niet gebruikt dan in: vlijgekast, en: vlijgepampier, maar daarvoor toch meestal: muggepampier = vliegenpapier; – lankbijnde mug, ook: blinde mug = de langbenige nachtvlieg, ook wel alleen ter onderscheiding van de zwarte vlieg, ofschoon men de kleine vliegen (Culex), de nachtelijke kwelduiveltjes, gewoonlijk neefjes noemt; peeremug = paardenvlieg; mugschiet = muggendrek. – mug, ook spottend tegen kleine of zwakke kinderen gezegd. Zegswijs: muggen ken men beter mit stroop as mit edik vangen te vergelijken met het Nederlandsch: met gebalde vuist vangt men geene vliegen. Kil. mugghe, mucke, vlieghe; Zuid-Hollandsch mug, Oostfriesch mügge, Hoogduitsch Mücke, Zweedsch mygg, Deensch myg Oud-Hoogduitsch mucja, mucca, mugga, Middel-Hoogduitsch mucke, mugge, mücke, mügge, Latijn musca = vlieg.
blinde mug, fig. voor: lamp die slecht brandt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mug , mug , mig , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast mig. Zie de wdbb. – Ofschoon door Holl. invloed thans minder dan vroeger, wordt mig nog dikwijls gebruikt in de zin van vlieg; in de Wormer is het woord vlieg zelfs zeldzaam. Enkelen onderscheiden tussen zwarte miggen (vliegen) en langbiende miggen (muggen). – Ook elders in N.- en Z.-Holl., in Friesl., Gron. en Oost-Friesl. betekent mug vlieg. In het Land-Fri. zegt men mig. Vgl. ook HADR. JUNIUS, Nomencl. 57a: “musca, B. vliege, mugge” en KIL.: “mugghe, mucke, Ger. Sicamb. Holl. j. vlieghe, musca”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mug  , muk , mugge , mukske , mug.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mug , mugge , vrouwelijk , mug
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mug , mugge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , mug’n , mug’nsken , mug
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mug , mig , zelfstandig naamwoord de , 1. Mug. 2. Vlieg. (De gebruikelijke aanduiding voor vlieg is mig). Vgl. Fries mig. 3. Tenger, klein persoontje, Zegswijze ’n breiden mig, zeer tenger, klein persoontje. Letterlijk een gebraden mug. Meervoud migge, in de zegswijze z’n eigen niet van de migge pikke leite, zich niet op zijn kop laten zitten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mug , mugge , mug.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
mug , mugge , mogge, mug , de , muggen , Ook mogge (Zuidwest-Drenthe), mug (zandgebied Noord-Drenthe, Kop van Drenthe met rekking) = 1. vlieg (niet erg gebruikelijk in Zuidwest-Drenthe. Elders lopen vlieg en mug soms door elkaar, vooral in samenstellingen) Deur flink te roken kuj op ’n besten de muggen van de hoed holden (Schl), Blinde muggen kunt je lillijk stikken steekvliegen (Rol), De dikke muggen trekt nog wal is op vleis, wat an de balken hangt vleesvliegen (Exl), Der bint 3 soort muggen: aal muggen, wat muggen, nog muggen (Zey), Hij dut gien dooie mugge kwaod (Pei), (fig.) De muggen miegt het regent een beetje (Sle), Je zit daor niet um muggen te vangen je moet wat doen (Bor), Die duurt nog gien mug doodhouwen durft niets (Dro), Je vangen meer muggen mit stroop as mit azien (Mep), Van een mogge een olifant maken overdrijven (Bro) 2. mug (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) Dat gezoem van zo’n mogge, daor kuj ’s nachts niet van slaopen (Noo) 3. drijftol (Koe) Een drieftolle of mugge 4. bewoner van Meppel (Zuidwest-Drenthe) of Peest (dva), z. Möppelt *Een mugge hef gien rugge / Alleen een lid / Waor kop en kont an zit gezegd tegen iemand of door iemand, die klaagt over zijn rug (Coe). Ook alleen Muggen hebt gien ruggen (Eex), of de vragende vorm Kinder en muggen, hebt dei wal ruggen? (Bco), of Hebben muggen ok ruggen? (Rod), of de wensvorm Was ik mar een mugge / Dan had ik gien rugge / Had ik mar ien lid / Waor kop en gat an zit (Geb); Alle beeties helpt, zee de mugge, en hij speide in de zee (Zdw), ...en piste in de zee (Eke), ...Zuderzee (Hijk); Aj ien mug dood houwt, komt er tien op begraffenis (Eke); Een mug hef net zoveul verbeelding as een euliefant (Exl); De mug vlög net zo lang um de kèers tot hij zien vleugels braandt (Zwin); in verband met het weer Murgen hew mooi weer, kiek de muggen ies daansen (Coe); As de muggen daanst in mèert / Is het de schaopeboer, die rèert (dc); As de moggen daanst in januari, kriej een slecht zommer (Hol); As de muggen steekt, kriew slecht weer (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mug , mugge , mug. De mugge ef een rugge (spottend gezegd wanneer iemand overdreven over pijn of moeheid klaagt)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mug , mugge , mug.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mug , mogge , mugge , zelfstandig naamwoord , de 1. vlieg 2. steekmug 3. benaming voor vliegjes e.d. kleiner dan de steekmug 4. kleine persoon, klein kind
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mug , mug , zelfstandig naamwoord , mugge , muchie , vlieg Wij noeme een vlieg altijd een mug en een mug is een langpôôt of een meezek
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mug , mugge , (zelfstandig naamwoord) , mug.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mug , mogge , mug.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
mug , mök , (vrouwelijk) , mögke , mökske , mug , Es de mögke saoves danse, weurtj ’t sangerendaags sjoean waer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut