elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: moor 

moor , moor , zwarten, gegoten, ijzeren ketel, waarin ’t water wordt gekookt. Ongetwijfeld noemt men hem alzoo om de overëenkomst zijner kleur met de Mooren of zwar
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
moor , moor , Klein koffieketeltje, dat gestadig op en bij het vuur of in de heete assche staat, en dat zelden wordt gezuiverd, althands nooit van buiten, zoodat het er zwart en berookt uitziet en dan ook niet op tafel verschijnt.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
moor  , moer , moor, ook waterketel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
moor , moor , moer , m , moorke , moor, waterketel(tje). de (’t) mook(ke) op ’t vuur De waterketel boven het vuur
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
moor , moêr , (fluit)kaetel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
moor , moeër , wortel; meervoud mòrre, mörre, gele voederwortelen die op de akker worden verbouwd; mörkes, worteltjes, de kleine soort penen die men in de moestuin teelt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
moor , moeër , koperen of ijzeren waterketel met hengsel en tuit.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
moor , moor , zelfstandig naamwoord , waterketel. Oorspronkelijk grote, bolvormige, ijzeren ketel die boven het open vuur hing en daardoor pikzwart werd van het roet (vergelijk: zwartmoor dè ge zèt tegen een vuil kind). Bij het verschijnen van moderne waterketels bleef de oude naam gehandhaafd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
Moor , Moor , Moor
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
moor , moor , ijzeren waterketel. verkl. meùrke. ‘n eike in de moor doen, een tabakspruim in de mond stoppen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
moor , moor , waterketel , De móór is nie mér, hógstes nog ne flûitkeetel, bè ne móór hurd 'n kachel. De waterketel is niet meer, hoogstens nog een fluitketel, bij een moor hoort 'n kachel.
Verkleinvorm meervoud murkes. Ge hôt van die murkes die hillemôl in't vuur zakte, dur de ringdèksel hènne. Je had van die waterketeltjes die helemaal in het vuur zakten, door de ringdeksel heen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
moor , moor , zelfstandig naamwoord , moore , moortie , soort kleine schoffel (licht de harde ondergrond iets op en maakt die los voor een betere ontwatering)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
moor , moor , moore watter , waterketel
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
moor , moor , waterketel. Ketel, die gedeeltelijk in de kachel hangt, voor het koken van water.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
moor , moor , zelfstandig naamwoord , waterketel (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
moor , [peen] , moear , (moea~r) , (vrouwelijk) , moeare , muuerke , peen, wortel , De muuerkes sjrabbe: de worteltjes schoonmaken.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
moor , muuer , (mannelijk) , muuere , muuerke , moor , Hae is zoea zwart wie eine muuer: hij heeft zich erg vuil gemaakt.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
moor , moear , (moea\r) , (mannelijk) , moeare , muuerke , waterketel , Zet de moear ins oppe staof.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
moor , moor , zelfstandig naamwoord , waterketel; Van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929); Henk van Rijen - de schaaw blòkt èn de môor wòsemt - de schoorsteen rookt en de; waterketel stoomt; WBD (III.2.1:192) moor = waterketel, ook 'marmiet' genoemd; Stadsnieuws -  Doe es waoter in de moor vur men krèùk (010608); Taalk.Mag. I(I835) 318 MOOR zelfstandig naamwoord , m. een groote ketel, die door het langdurig blootgesteld zijn aan het vuur geheel zwart wordt; vandaar zijn naam. A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - moor, moer - waterketel (zelfstandig naamwoord l., geld.); Biks - moor zelfstandig naamwoord  - waterketel; WNT WNT: MOOR (I), 4: Waterketel (die in het gebruik zwart wordt door telkens op het vuur te staan), waarin het water wordt gekookt om koffie mee te zetten; inz. in Z. -N. Verh. - MOOR m - ketel om water in te koken (zo genoemd omdat hij zwartgeblakerd was?); ANTW. - MOOR (scherpe o) zelfstandig naamwoord m. - bolronde of wijdgebuikte koperen of ijzeren waterketel, met hengsel en toot, waar men water voor de koffie in kookt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
moor , moeër , moeëre , muurke , waterketel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut