elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mooi 

mooi , mooj , (bijvoeglijk naamwoord) , mooi.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mooi , mooi , in: mooi doen = mooi bezopen = kennelijk dronken, en zoo hoort men hier ook het verhollandschte: mooi dronken en laat thuis! “ʼt Was rais op un dingsdag oavend, Dat hij zoo al zuitjes droavend, Mooi bezopen van den Dam Loat te Koeskebrugge kwam.” Ook het tegengestelde van: lastig dronken, en alsdan valt de klemtoon alleen op: mooi, zooveel als: hij heeft een goeden dronk over zich. – dat ken hij (met den klemtoon op hij) mooi doun = dat moeten wij hem maar opdragen, omdat hij er den tijd of de gelegenheid voor heeft, en staat gelijk met een verzoek of bevel waaraan gereedelijk voldaan wordt; – ʼt is mie mooi tou = het doet mij aangenaam aan, ik vind het pleizierig; – mooi wezen met iets = er mee aangekleed of opgescheept zijn, bv. met de koorts, met eene zweer, enz. Uit Nieuwe Pekela schreef men (1874): “Als onze moeder de Stad ons niet te hulp komt en ruimt het waterschandaal tusschen ons en het Stadskanaal niet uit de vaart, kunnen we nog lange jaren met het watergebrek in den herfst mooi zijn.” – ’t staat mooi goed (Langewold) = ʼt staat heel goed; zoo zegt men algemeen: mooi vervelend, lastig, beroerd, enz. ʼn mooi pooske (of: zetje) = vrij lange poos; ʼn mooi sōmmetje (of: sommechie, of: sommechien) = eene niet onaanzienlijke som; mooi is anders! = dat is alles behalve mooi, dat is leelijk, ook van handelingen gezegd. Spreekwoord: Altied mooi is nooit mooi, zooveel als: die altijd zijne beste kleeren draagt heeft er geen genot van; ook OostfrieschDei mooi wil wezen mout pien lieden = die zich aan de mode onderwerpt moet zich den last getroosten, dien men het lichaam aandoet. (Algemeen in Noord-Duitschland, maar voor: mooi wezen het woord: Hoffart.); mooi mit (mooi mee); dat is mooi mit (klemtoon op: mit) = dat is een klein fortuintje, een onverwacht voordeeltje. Eigenlijk zooveel als: dat is mooi mede op reis, dat komt ons goed te pas.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mooi , mooi , (bijvoeglijk naamwoord) , vgl. poesmooi.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mooi , mooi* , 1, zie ook lekkertje *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mooi , mooi* , 2 (einde) bij v. Dale = zich laten voorstaan op iets.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mooi , moois , zie oarig * (bldz. 546.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mooi  , moeëi , mooi.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mooi , moi , moj , mooi Dè’s moi ook wel: dat is niet mooi!; helemaal Dè bin ik moi vergéête Dat ben ik helemaal vergeten; moi nie! Absoluut niet!; lelijk, falikant Ge hét ’t moj mis! Je hebt het falikant mis!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mooi , mooi , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Ook: lief, braaf. | Nou mooi sleipe gaan, ’oor! Zegswijze zô mooi as poes, heel mooi (gekleed). – Zô mooi as domeniesjuffrouw, heel mooi, deftig (gekleed). – Mooi voor (bai) aâr weze, zich tegenover of bij een ander in huis goedgemanierd, innemend, meevoelend enz. voordoen. | Jij benne mooi voor ’n aâr, maar thuis bè je niet te harden. – Wie mooi wul gaan, moet poin deurstaan, men moet zich vaak pijn, moeite of kosten getroosten om zich mooi te (laten) maken. Een spreuk met rijmdwang, aangezien de Westfriese woordschikking zou moeten luiden: wie mooi gaan wul.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mooi , mooi , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze voor ’t mooi. Om het mooier, aantrekkelijker, aangenamer e.d. te maken. | Je hadde d’r voor ’t mooi ’n loisie omheen doen moeten. 2. Om mooi, aangenaam e.d. genoemd te kunnen worden. | D’r staat voor ’t mooi efkes te veul wind. – ’t Mooi gaat er of, de aardigheid gaat er af. – D’r niet veul mooi van zien (van hewwe), er weinig moois, goeds van zien of ondervinden. | Hai het niet veul mooi zien van z’n joôs. – Deer is gien mooi an, daar is geen aardigheid aan. – Van mooi houwe, van mooie, dure dingen (zoals kleding, sieraden, meubelen enz.) houden. – We zelle d’r ’n beetje mooi an leite, we zullen het niet te gek doen, niet overdrijven.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mooi , mooi , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. fraai Wat een mooi peerd is dat (Een), Ik vin dat e mooi zingen kan (Sle), De vrouwlu bint zich an het mooi maken (Hgv), Het is al november en het is nog mooi nog mooi weer (Bro), Hij döt hum mooier veur as dat hij is (Hijk), Het is te mooi um waor te wezen (Wap), Hij hef mie der mooi veur laoten zitten. Ik kun alles allein doun (Bco), Hij gooit er van alles oet, mal en mooi (Bei), (zelfst.) Die kèrel dat is mij ok een mooie fraai heerschap (Wee) 2. lekker Het eten smaokt mij weer mooi vanmiddag (Ass), Dat was mooi eten (Dro) 3. goed Het mooie haandtien de rechter hand (Mep), Ik was er net mooi met an de gang, toen hij kwam (Bui), Dat komp mooi oet, ik heb toch niks te doen (Zwe) 4. geweldig (ook iron.) Dat hej mooi daon (Rod), Dan kriej een mooi stok wark an de hoed (Hol), Het gung der aordig mooi, heurde ik net bijv. van een feest (Eex), Dat hef e niet zo mooi daon (Wes) 5. prettig Det oen katte bij oens in de tuun krabt, vien ik niet zo mooi (Ruw), Wat kan dat maagie mooi praoten (Zdw), Ze zaten mooi in het heui te bikken gezellig (Nsch) 6. voldoende Het is nou mooi west (Eel) 7. druk Ik bin er wel een week mooi met (Dro) 8. als versterkend bw., soms iron. Laot mor mooi zitten, daor praot wij niet mèer over (Sle), Daor bin je mooi klaor met daar zit je dan mee (Anl), Hij zat er mooi met te zweiten zat er mee (Een), Ik heb het er mooi drok met had (Schn) *De mooiste appels liggen veur het raam (Mep); Die mooi wil wezen, mut pien lieden (Noo); Altied mooi is nooit mooi (Vtm), z. ook bij moois
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mooi , mòi , (mòier) mooi, meestal omgekeerd bedoeld: ’t is mòi, ’t is niet zo mooi.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mooi , mooi , mooi. Zo mooi as een plätien (= plaatje)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mooi , mooi , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. mooi 2. lekker van smaak 3. beroerd, lelijk, bijv. ’t Is weer mooi, heur!
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mooi , moj , mojjer , knap, mooi
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mooi , mwooj , mooi
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
mooi , moj , mojjer mojst , fijn, aangenaam, mooi , Tis moj te ligge in ’t stroj. Het is fijn te liggen in het stro. , Moj nie! Mooi niet! , D’n hof is nèw óp z’n mojst. De tuin is nu op zijn mooist.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
mooi , mouwie , bijvoeglijk naamwoord , mooi (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mooi , mooi , ’t is nog zo mooi! ’t is o zo mooi!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut