elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mogen 

mogen , meugen , mogen, gaarne hebben, vooral spijs of drank.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mogen , mogen , wordt in bijzonderen zin gebruikt: men zegt: dat mag ik niet, als men bedoelt: dat staat mij tegen! Dat doe of dat eet ik niet gaarne (vergel. durven.)
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
mogen , [lusten] , maggen , lusten; nou mag hōm ook gien eten meer = nu lust hij (of: zij) ook geen eten meer. Gron. maggen, Overijs. NBrab. Neders. mogen = lusten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mogen , meugen , mogen, kunnen; “daor knappe leu niet over meugt” = – niet van houden, een afkeer van hebben; ook Gron. maggen, meugen. Meug = mocht; meugden = mochten; mug = ik mocht; ’t mug wat! mugs = gij mocht; mugs tij wat schaomen! = gij moogt u wat schamen. Mag = in: dat mag wel, zooveel als: ʼt is mogelijk, maar ik geloof het niet. Vergel. het Gron. ʼt mōg wat! zooveel als: dat lijkt er niet naar!
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mogen , mögen , (werkwoord) , mogen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mogen , maggen , meugen , mogen, verlof of vrijheid hebben om iets te doen. West-Vlaamsch. magen. – Ook = lusten; wie maggen dat nijt = wij lusten dat eten niet; “ik mōg domt wel weer wat koffie” = ik zou straks wel weer wat koffie lusten; ook Drentsch, Overijselsch, Noord-Brabantsch, NedersaksischOostfriesch mȫgen, West-Vlaamsch meugen, Vgl: ik mag hem niet = ik mag hem niet lijden, ik houd niet van hem. – Ook in de oorspronkelijke beteekenis van: kunnen; doar mag ik nijt over = dat is mij tegen den zin, daaraan heb ik een hekel; ook Drentsch. Zie ook Luc. 1:4: Opdat gij meugt kennen de sekerheyt der dingen, enz.; Joh. 14:3 ende sal u tot mij nemen, opdat gij oock zijn meugt daer ick ben. Vervoeging: ik mag, doe magst, hij mag; wie, enz. maggen, ook: meugen; ik mōg, doe mōgst, hij mōg, wie, enz. mōggen. Het verleden deelwoord wordt gehoord bv. in: dat har hij nijt doun mōcht = dat had hij niet mogen doen; mai, ma’j = mag je, moogt gij; dat mai zeggen = het is volkomen waar wat gij daar zegt. Evenwel ook: dat mag ie zeggen; mōg = mocht; dat mōg wat! (met den klemtoon op: mōg), drukt eene sterke ontkenning of levendigen twijfel uit; wat mōg ik dat min doun! = dat zou ik hoogst ongaarne doen; ook van eenigen arbeid gezegd. “ʼk Mōg gijn poatriotten lieden”, enz. – ik mōg, hij mōg; wie mōggen, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mogen , mogen , meugen , (onregelmatig werkwoord) , Vervoeging: Tegenw. tijd, ik mag, je magge (en mag), hij mag, we, jollie, ze magge (en soms meuge). Verl. tijd, ik mog, je mogge, hij mog (en mocht), we, jollie, ze mogge. Verl. deelw. ’emacht en ’emagge. Zie de wdbb. en vgl. een zegsw. op plank. – Mogen van, verlof hebben van. || Ik mag van me moeder. Hij mog van zijn vader niet op ’et ijs. – De vorm meugen leeft nog slechts in enkele uitdrukkingen, b.v. in het ook elders bekende: “Van mekaar meugen ze niet en bij mekaar deugen ze niet” (van kinderen, die erg op elkaar gesteld zijn, maar toch dikwijls kibbelen). –Vgl. meugebet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mogen , -moegen , vgl. vermoegen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mogen , maggen* , meugen , in dezelfde beteekenissen “mogen” bij v. Dale; wezen-maggen in ʼk mag dʼr nijt wezen (ook: ʼk mag mie dʼr nijt zijn) = ʼt bevalt me er niets; dat mag (of mog) wel zoo wézen (verkort: dat màg wel zoo) = dat kon of mocht wel anders of beter zijn, ʼt laat te wenschen over (vergel. an * en zoowat *), de zegsw. komt ook elders voor, doch zelden, zie bvb. De Oude Heer Smits, Afdrukken van Indrukken, Ie druk bldz. 106; ʼk mag wat wézen as ʼk ʼt dou = ik doe ʼt in geen geval, ʼk wou (zou) je nog liever!
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mogen , maggĕn , mogen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
mogen  , meuge , mogen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mogen , müüegen , mog, emüüegt, ik magge, dů magst, hei mag, wi, i, zei müüegt; ik mogge, dů mogst, hei mog, wi moggen , mogen, lusten. Ik magge gen visch: ik lust geen vis.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mogen , mag’ng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: magge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: m , 1 mogen, 2 lusten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mogen , mueng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: magge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: m , 1 hulpww. mogen, mogen lijden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mogen , meugde? , mag je?; mudde mit? mag je mee?
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mogen , meugen , lusten (voedsel lusten)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mogen , magge , mogen. Magge me effe binnekomme?
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
mogen , magge , werkwoord , Mogen. | Dat zel wel niet magge. Zegswijze ik mag ’m in ôlie nach eek, ik mag ’m helemaal niet. – Zuks mag graag, zoiets kan gemakkelijk gebeuren. Ik mag je wel, maar ik moet je niet, 1. ik heb wel sympathie voor je, maar verder gaan mijn gevoelens niet. 2. ironisch voor: ik mag je nu eenmaal niet. Voltooid deelwoord maggen, naast de vorm mogen. | Jij hadde ok maggen/mogen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mogen , meujge , werkwoord , mogen. Dè meujde gè nie doen. Ook: dè meujde nie doen. Ik hè dè nòòt gemeujge.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
mogen , meung , moch, emeugd , mogen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
mogen , meugen , muggen, maggen, mèugen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , Ook muggen (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), maggen (veengebieden), mèugen (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. mogen IJ meugt wal met, mor ij huuft niet (Sle), Ie magt mij dat muurtie wel even opmetseln (Dwij) 2. graag lusten (veroud.) Die brij is zo kloeterig, die mag ik zo niet (Oos) 3. houden van Den kerel mag ik nich (Bco) 4. graag willen Ik meug wel ies weten hoe dat ofleup (Rol), IJ meugt er niet an denken dat oes dat overkommen zal (Sti) 5. mogelijk zijn Het mag wal zo wezen, mor ik geleuf het niet het is misschien wel zo (Sle), Ik zal Hendrik even vraogen, die mag der wel meer van weten die weet er waarschijnlijk meer van (Bor) 6. wenselijk zijn Ie mugt wel ies naor de kapper (Noo) 7. kunnen Dat mag ai nou wel zeggen, mor het mot nog bewezen worden (Eev), Hoe is het met hum? Het mag wel zo (wezen) gaat wel (Eke) *Bie mekaar deugt ze niet en van mekaar meugt ze niet (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mogen , meugen , mogen, (mag, meut, maade, made, meude, maagt, gemeugen). made gij dè?, mag jij dat?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mogen , magen , maggen , mag, moch, mochen, emagd, maggen (Kampen) mag, moc , (Kampereiland, Kamperveen: volt. deelw. weinig gebruikt), mogen. Ook: maggen (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mogen , meugn , ik mage / moche; iej meug / mochn; hie mag / moch; wie meug / mochn , mogen. Mak (mag ik) met oe met? Ik heb dat niet emeug. Maj (mag iej) dât wel?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mogen , meuge , mogen , De kléén manne meuge van de oopa's én ooma's veul miir és van d'aauwlûij. De kleine kinderen mogen van opa en oma veel meer dan van de ouders.
És ge gegeete hét én gebid meug’de schéijte wór ge zit. Als je gegeten hebt en gebeden mag je poepen waar je zit. Na het eten is (was) boeren en winden laten niet ongepast.
Zal ik 'n zjats koffie inschudde of meug'dem nie mér hébbe van d’n dokter? Zal ik een kop koffie inschenken of mag je hem niet meer hebben van de dokter?
Verleden tijd meervoud móche. Óp de gróóte schoole móche jónges én méskes vruuger nie ónderin komme, in Nittersel wél. Op de lagere scholen mochten jongens en meisjes vroeger niet bij elkaar komen, in Netersel wel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mogen , meugen , maggen , werkwoord , 1. mogen 2. graag doen 3. lusten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mogen , magge , werkwoord , mag, mog, gemagge , mogen ’t Is nou êêmel gebeurd, maor ’t had faaitelek nie gemagge Het is nu eenmaal gebeurd, maar ’t had feitelijk niet gemogen ’t Heb nooit gemagge; ’t is al êêuwe verbôôje Het heeft nooit gemogen; het is al eeuwen verboden ’t Mos nie magge Het moest niet mogen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mogen , meude , maade , mag je
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mogen , maggen , (werkwoord) , mag, moch, emocht , mogen. Ik magge niks. Zie ook: meugen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mogen , meugen , (werkwoord) , mag, moch, emocht , mogen. Wi’j meugen niks. Zie ook: maggen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mogen , meuge , mogen , ge meug ’t wel doen, maar ’t hoef nie = je mag het wel doen, maar het hoeft niet- ge hoevut nie te zegge, mar ge meugut wel = je hoeft het niet te zeggen, maar je mag het wel- da meude gij nie = dat mag jij niet- meude gij al gaon daase? = mag jij al gaan dansen?- njit, ik maag ’t nog nie mar ik doei ’t wel = nee, ik mag het nog niet, maar ik doe het wel-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
mogen , magge , ik mag, mak; gèij magt, má , mogen , Wèij magge ók nojt niks! Wij mogen ook nooit iets!; Mádde (gèij) nie weg venôvund? Mag je niet weg vanavond?; Toen mógge wèij no binne. Toen mochten wij naar binnen.; Dè ha nojt gemooge! Dat had nooit gemogen!; Mag mèr is nie mee! Mag maar eens niet mee!
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
mogen , magge , werkwoord , mogen (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mogen , moge , ich moog/maag, doe moogs/maags, hae moog/maag, , mogen , Emes neet moge. Ich maag det neet van mie moder.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mogen , meuge , sterk werkwoord , meuge - môog - gemeugd , "mogen; Dè moes nie meuge. - Dat moest niet mogen. – tegenwoordige tijd enkelv. 'ik/hij maag', 'gij meut'; – Btk+B meuge - mócht - gemeuge ; ik/hij mag, gij meugt; – BvD imp. móch en niet môog; – Dialectenquête 1876 - meuge; ...want ie zaat al aon z'n vierde borreltje, en meer dan vier moog ie er nie nemen van z'n vrouw... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938); Pierre van Beek – ""Van mekaar meugen ze nie en bij mekaar deugen ze nie!"" In zo'n geval hebben we te doen met een echtpaar, dat veel kijft en ruziet over kleinigheden. Dat kan natuurlijk zijn oorzaak vinden in het feit, dat hij of zij een ""netek....t"" is. Dat betekent een akelig humeurig iemand. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 8 april 1950); Cees Robben – ...dè lèève môôg... (19590822); Cees Robben – Fleej-week-from môôk-ôôk maagdeke zèèn.. (19651112); Stadsnieuws -  Akket gevraoge ha, hakket nie gemeuge. (251109); Henk van Rijen - gè meut nie meej - jij mag niet mee; Et is aaltij zôo en et zal nôot aanders worre, wegge nie meugt lèkt, lekkerder, schônder en leuker. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Dingen doen diege èègelek nie meugt. (Henriëtte Vunderink, Jong zèèn, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); samentrekkingen met het onderwerp; B maa'k - mag ik?; Van Beek - ""Dè meugde nie"" is: dat mag niet.  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958); ... in [een] wèkje geleeë zaag ik op ’t bordje van de Tilb. Cursus, hil meewaorig afgedrukt staon: ""Niks meude mir"". [De Tilburgsche Cursus was een cartooneske rubriek in Groot Tilburg. Het plaatje was steeds hetzelfde: een professor bij een schoolbord; op het schoolbord stond een treffende Tilburgse uitspraak geschreven.] (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Henk van Rijen - Mie, meume meew meej? - Mie, mogen we met je mee?; Henk van Rijen - meens, meumer op? - meneer, mogen wij erop? (b.v. achter op een kar); Aanvullende bronnen; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MEUGEN voor mogen. Dit is geenszins eene verbasterde uitspraak; want, dat men oudtijds zoowel 'meugen' als 'mogen' zeide, getuigt nog heden ten dage 'tegen heug en meug'. Z. a. ANTW. MEUGEN - mogen; meugen van - verlof hebben van; kunnen eten Biks meujge ww - mogen; Bosch meuge - mogen; WNT MOGEN, gewestelijk MEUGEN; WBD III.3.1:230 'mogen', 'gaarne mogen', 'lijden, goed kunnen zetten staan op' = iemand graag mogen; maag; mag; - 1e + 3e pers. enkelv. van 'meuge'; via 'mag' met vocaalrekking; - Maag ze meej mèn meej?; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""moeder maa'k britsen?"" (aardappelen tot brei maken); Cees Robben – En dan maag ie meej... (19640228); meude; samentrekking van mag je, mag u; 2e pers. enk. + mv. van 'meuge' + encl. pron. (meut + ge); Dè meude nie doenMeude göllie meej?; Cees Robben – En dörrom meude hier naa staon (19590912) ; Cees Robben - .. en liege meude nôôt... (19641231); Cees Robben – Dè meude gerust, Miena... (19840406); meut; mag, mogen; 2e pers. enk.+ mv. van 'meuge' met elisie van de 'g'; Gij meut nie meej. Tilbörg, dègge zôo meut blèève; Cees Robben - ge meut de krintjes nie öt de mik pölleke; Henk van Rijen - ge meut er nie òn dènke - je moet er niet aan denken; môo(g)t; Henk van Rijen – mocht; Henk van Rijen – 'Gè môot òk wèl us wè hèn! - Jij mocht ook wel eens wat hebben. Dirk Boutkan (1996) - In de verl.tijd variatie tussen: móg- en mócht-; môog(e); mocht; - verleden tijd van 'meuge'; Cees Robben - et kèènd môog nòr hèùs; Cees Robben - Ik môog vruuger nie leere ómdè we gin gèld han; Dirk Boutkan (1996) - In de verl. tijd variatie tussen: móg- en mócht-"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
mogen , meuge , meugde – gemeuge , mogen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut