elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: moeten

moeten , motten , mosti?, mot, motti?, most , Moeten; mosti?, Moest hy?; mot, Moet.; motti?, Moet hy?; most, moest.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
moeten , moeten , (intransitief werkwoord) , genoodzaakt wezen, behooren, “het is te moeten” zegt men van eene vrijster of weduwe die spoedig de bruid zal worden omdat ze in een gezegenden toestand verkeert. Niet moeten gebruikt men hier ook in den zin van afkeerig zijn: ik moet hem niet, ik zou hem niet moeten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
moeten , môen , môen = moeten; moei = moet gij, moet men, gij moet; moéj = moet gij, moet men, gij moet; mooj’ = moet gij, moet men, gij moet“dan moe’j, ai’j’ bij ’t wicht sind” = dan moet gij, als gij bij uw meisje zijt; waar mooj’ nao too? moe’k = moet ik; moet = wij moeten; moeten = als verl. deelw. van: moeten; dat hij met hen boerwaarken moeten had; dat ie beter oet zien oogen zien moeten had = – had moeten zien; Gron. – mouten har; môon = moet; ie môon neet denken, dat enz. mus = most; mussen = moesten; mōssen = moesten; mut = moet; “pas bint ze de kinderschoenen ontwassen of ze mut al trouwen.”
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
moeten , [tegenhouden] , möten , (zwak werkwoord) , tegenhouden, part. prt. emot.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
moeten , mö̂ten , (zwak werkwoord) , ontmoeten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
moeten , mouten , mou’n, moun, mounên , moeten; mouten is dwang! zooveel als: zegt gij dat ik het moet doen, dan dank ik je, ik laat mij niet dwingen; bij v. Dale: moeten is dwang en schreeuwen (huilen) is kindergezang. Oostfriesch, môten is dwang, ook Nedersaksisch (= voor den drang der noodzakelijkheid moet men zwichten); Westfaalsch maüten es en düvelstwang; – wat mout dat mout, of: as ’t mout den mout ’t, wordt gezegd, wanneer men ongaarne iets doet of toestaat, als men de beweerde noodzakelijkheid er van niet inziet, alsmede: men moet zich aan de noodzakelijkheid onderwerpen, bv. om eene operatie te ondergaan; ook Holsteinschmouten is ook wat! ik word er toe gedwongen, of: hij wordt er toe genoodzaakt, en: men moet zich in het onvermijdelijke schikken; hij zegt, hij wil nijt betoalen, moar mouten is ook wat! – alle mörn, winter zömer, om vief uur bie ’t wark te wezen, da’s wat te zeggen, moar mouten is ook wat. ’t mout ijn kant begrooten! =’t kan mij spijten (van iemand); dat mout moar nijt = dat moeten wij niet doen, of: daartoe mag ik u geen verlof geven; dat mout nijt = dat mag niet plaats hebben; “ie moun d’r nijt van schrikken.”’t is te mouten, zegt men bij het lanterluien, wanneer allen, bij den gewonen inzet, moeten spelen, dat is wanneer niemand mag passen; zoo: ’t is nijt te mouten = ieder heeft de vrijheid om te passen. – Ook van jonge lieden die moeten trouwen omdat het meisje zwanger is, waarvoor ook: ’t is moutwark; “en traut ’r wel haost eine dat nijt te mouten is”? (nl. uit de laagste klasse); zij mout wat = zij is zwanger. – Als verleden deelwoord van: mouten; as ’k noa stad mouten har (als ik naar de stad had gemoeten); as wie heuen mouten harren = als wij hadden moeten hooien; Drentsch moeten hadd! – (Voor: mouten hoort (en schrijft) men ook: mou’n, en: mounên, doch dit moet als eene zeer gebrekkige uitspraak beschouwd worden, vooral van personen die licht door den neus praten.); mou’k, mout ik = moet ik; dat mou’k nog leeren, doun, enz.; moi, moiʼj, moije, mouje = moet gij, en: gij moet; dat moi nijt doun; moi nijt zeggen = dat gij moet of moogt dat niet zeggen; moi wijten, reken, stellen, enz. = moet gij weten, bedenken, enz. Drentsch moei reken; Zeeland moeie, Zuid-Hollandsch môje = moet gij. Zie ook: wōj, en: moai, alsmede: moeke, en: poike; mōst, moust = gij moet, en: moet gij; mōst nog moar wat blieven; mōst ook al weg? kenst jà nog wel doun jong!; mou’we, mou’ve = moeten wij; nō mou’we noa hoes; dat mou’we ijs pebijêrn = dat moeten wij eens beproeven; mōs = moest, mus (Westerwolde); ik, hij mus = ik moest, hij moest. onvoltooid verleden tijd enkelvoud van: mouten = moeten; ’t het mōst = het was noodzakelijk; ook: het heeft noodwendig moeten plaats hebben (= het onnederlandsche: het heeft gemoeten), ’t het zoo wezen mōst = het heeft zoo moeten zijn, het noodlot, enz. heeft het zoo gewild. – Ook voor ’t hulpwerkwoord: kunnen; zoo mōs ’t wezen = dat zou ’t geval kunnen zijn, zoo heeft het zich kunnen toedragen; ’t mōs wezen dat ie oetwassen = ’t kon zijn dat gij niet te huis waart; ’t mōs wezen dat wie volk kregen = tenzij wij bezoek krijgen. Zuid-Hollandsch mōs = moest; mōssen, mōzzen = moesten; ik mōs, wie (enz.) mōssen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
moeten , moeten , (onregelmatig werkwoord) , Vervoeging: Tegenw. tijd, ik moet, je moete (en moet-je), hij moet, we, jollie, ze moete. Verl. tijd, ik most, je most, hij most, we, jollie, ze moste. Verl. deelw. ’emoete en ’moete. – Te Oostzaan zegt men in de tegenw. tijd ook: ik mot, je mot(te) enz. || Je mot deer nie(t) wezen. – Evenzo elders in de Holl. spreektaal.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
moeten , mouten* , ’t is te mouten, ook meer algemeen = ’t is een verplichting; bij van Dale de zegswijs “moeten is dwang en huilen is kindergezang”; zie ook: wezen , alsmede bedoeren * en vergel. met de daar opgegeven zegswijs het Nederlandsch “’t kan me spijten”; mōtten en mōt (= moet), evenals elders voor “moeten” en “moet”; vergel. mōst (eigenl. moutst) , mōzze = gij moet, moet gij; zoo ook wist * enz., vergel. mōtten en. s * (blz. 559.) en vergel. mōs* = moest, o.a. in: zóó mōs ’t wezen = dàt zou ’t geval kunnen zijn, ’t mōs wezen, dat… = ’t zou ’t geval kunnen zijn, enz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
moeten , meusse , moest hij.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
moeten , môtte , môt, môs, môt, meus, gemôtte , moeten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
moeten , möuten , mödde, emöt, ik möute, dů mötst, hei möt, wi, i, zei möutet [moeŭt̥], möuten wi, möut i, möutet zei , keren, tegenhouden. Het waater möuten: het water keren. Het vee möuten: het vee tegenhouden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
moeten , mönnen , mos, emönt, ik mörre, dů möst, hei möt, wi, i, zei mönt; ik mos, dů moist, hei mos, wi, i, zei mosse , moeten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
moeten , munn , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: murre, mut, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , moeten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
moeten , moste , moest je.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
moeten , mot , moet; mos, moest. Dat mozzer nog bijkomme.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
moeten , moete , werkwoord , De vervoeging luidt: moete-most/moste-moeten. 1. Moeten. 2. Mogen, sympathiek vinden. | Ik moet ’m niet erg. 3. Zullen. | Moet ik ’t maar doen? 4. Believen, willen. | Moet je nog ’n koppie? Zegswijze ’t is te moeten, zij moet trouwen; moet, stam van moeten, in de zegswijze moet zit in de boet, je hebt niets te moeten, te willen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
moeten , mutten , mos, emut , moeten; mudde moet (ik vorm); mu’j moet je.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
moeten , moeten , moten, moouten, mouten, mutten, meuten, mèuten , sterk werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook moten (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), moouten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), mouten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), mutten (Zuidwest-Drenthe), meuten en mèuten (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. moeten, behoefte hebben aan Jan mus aldeur lachen (Eri), Wat möt dat daor bij de schuur? (Sle), Ik moet uut de broek naar de wc (Nam), Mus dat zo neudig? was dat nodig (Ndo) 2. moeten, verplicht zijn Die kan der niet veur vort, hie zal wel moouten (Anl), Ik heb er niet veule zin in, mor moten is ook wat (Die), Moeten is dwang en schreien, ...rèren (Hol), ...krieten (Mep), ...bleren (Zdw), ...is kindergezang (Exl), Ik moet niks, allennig starven (Klv) 3. moeten, behoren Wie meut allemaol wat bezeunigen in disse tied (Bei), Ie mut mij niet teveule um de kop zeuren (Hgv), Doe most nich zo neisgierig wezen (Bco) 4. onvermijdelijk zijn Wij zult wel naor hoes moeten, want het bedde komt niet bij oes (Dro) 5. graag willen Ik mut het nog zien (Nam) 6. naar ze zeggen Hij mot geweldig zingen kunnen (Bov) 7. onvermijdelijk zijn Het mut oe mar overkomen daj der mit dit weer uut moeten (Nije) 8. van doen hebben Wat zij hier in de buurte mutten, weet ik niet, maar ik vertrouwe het veur gien cent (Mep) 9. (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), in te moeten wezen moeten trouwen Zij bint maor gauw trouwd, want het was te moten (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
moeten , moete , moet je.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
moeten , mutten , mut, mos, mossen / mosten (Kampen), emut / emutten , moeten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
moeten , muttn , ik mut / mosse; iej muttn / mossn; hie mui / mos; wie muttn / mossn , moeten. Muj (mut iej) daorumme lachn? Mosse (mos hie) vrog weg? Ik heb ’t muttn laotn. Iej muttn weetn, dât de man nog nooit erook hef.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
moeten , ônmoet , aan moet vangen , Ik weet nie wa'k dôrmeej ônmoet, mér és't nie verandert zie'jek 't nô de klóóte gôn. Ik weet niet wat ik daar mee aan moet vangen, maar als het niet verandert zie ik het mislukken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
moeten , moet’te , moet je , Moet'te mén nie mér dan zéij ik al wèg, daor duu'wek nie moejlek oover. Moet je mij niet meer dan ben ik al weg, daar doe ik niet moeilijk over.
Ge moet’tew aojge vuuge. Je moet jezelf aanpassen. Je moet je goed gedragen.
Verleden tijd moes. Héij moes zó én zó laot hier zén mér wa dènkte, vergeete zègge ze én dan zén z'r af. Hij moest zo en zo laat hier zijn maar wat denk je, vergeten zeggen ze en dan gaan ze verder.
We moesse giestere meej gewèld de panne óp't hûis lègge, want 't begós te rèègene. We moesten gisteren inderhaast de pannen op het huis leggen, want het begon te regenen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
moeten , motte , werkwoord , mot, mos, gemotte , moeten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
moeten , moete , moete , moeten, verplichten, moete (moet je)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
moeten , moeze , moesten
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
moeten , mutten , (werkwoord) , mut, mos, emut , moeten. Ik mosse de ele wèke aoverwärken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
moeten , motte , moeten , ik mot niks = ik moet niets- motte gij nie gaon wèrreke = moet jij niet gaan werken- ;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
moeten , motte , moeten , wè môtte nou? Wat moet, wil je nou? hoe môt tè? hoe moet dat ?
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
moeten , mótte , ich mót, doe mós, hae mót, zie mótte, móste, ge , moeten , Emes neet mótte. Hie is niks te mótte! Mótte is dwank en bäöke is kinjerzank: gezegd tegen een kind dat met zeuren zijn wil probeert door te drijven. Mózjes se nog get nuuedig höbbe, den huuer ich ’t waal: mocht je nog iets nodig hebben, dan hoor ik het wel. Niks mót, alles kan. ‘Waat mót ich?’ ‘Doeadgaon mós se!’: dooddoener.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
moeten , moete , mòtte , sterk werkwoord , moeten; B mó'k - moet ik? mottewe - moeten wij?; Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – dè mótte gelêûve (passim 'mótte'); Cees Robben – En desseme gadeeseme nog tesse mosse ôôk... (19621005); B mótte - mós - gemótte; praes. enk. 'mót', mv 'mótte'; moet; met name ‘naar de wc moeten’; Cees Robben – En naa zegde onderwege nie .. akkoe naor huis breng , degge wir mot (19870102); A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mótte (krt.27); WBD III.1.4:328 'moeten', 'moet', 'moetje' = verplichting; samentrekkingen met 'moete'; moetem; moet je hem; Cees Robben – Dan moetem is in z’n hemd zien staon... (19781222); Cees Robben – Moeten daor zien staon te kèèke... (19640731); moetet; ‘moet het’, of ‘moet je het’; Cees Robben – Mar ‘k moetet irst nog zien... (19600219); Cees Robben – Dan moetet lepeltje d’r uit haole... (19730511); moetiejer; moet hij er; Cees Robben – Dan moetiejer zunne tèèd mar over doen... (19810508); moettem; moet je hem; Cees Robben – Dan moettem overdag ôôk mar de kaans geven (19820924); moes, mos; verleden tijd van zie 'moete'; moest; Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – 'wij moesen mar 's zeggen dè ...'; Cees Robben - Wè d’ ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor ‘het oog van het kerkvolk’ gemaakt werden.]; Cees Robben – Swels det ik efkes wochte moes (19590912); Cees Robben – Hij moes z’n port hebben... (19650402); Cees Robben – Den dokter [chirurg] moes twee keer z’n mis aonwitte.. (19670317); Cees Robben – Wè waren ze toch wèès mee d’ren irste klèène... Hil de reutemeteut moes er op... (19800620); DANB ik moes òssebloed drinke óm òn te koome; verleden tijd van 'moete'; Henk van Rijen - ze mossen oe gehad hèn - ze hebben je nodig; Henk van Rijen - agger nie meej sohreuwe most, dan moster meej laage; ANTW. MOST - 2e hoofdvorm van 'moeten'; WNT MOETEN - Als verl.tijd heeft het Mnl.naast moeste ook MOST; mos; moest; - verleden tijd van 'moete'; mot; moet; - tegenwoordige tijd van 'moete'; Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – dè mótte gelêûve; (passim 'mótte'); Cees Robben - ik mót mèèrege vruug óp; ge mót er me nie inlèùze; wè mótte?; Cees Robben - Wies, waor ist hier, want ik mót zôo ...; Dialectenquête 1876 - Wie nie heure wil, mot vule; mòtte; moeten; Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – dè mótte gelêûve (passim: mótte); B mó'k - moet ik (?) móttewe - moeten wij?; Pierre van Beek –  Ge hèt niks te mótte - naar jouw verlangens wordt niet geluisterd; B mótte - mós - gemótte; praes.enk. 'mót', mv 'mótte’; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mótte (krt.27); Bosch motte - moeten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
moeten , mótte , móste – gemótte , moeten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut