elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: moes 

moes , moes , boerenkool.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
moes , moas , moes , boerekool, Gron. mous, Overijs. boerenmoes, Geld. lankmoes. Kil. moes = groente, moeskruiden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
moes , môs , (onzijdig) , gehakte kool.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
moes , mous , in geschrifte moes = boerenkool; mousstōmmel, ook: mousstrōnk = de stronk dier plant; mouskebrei = körtmous = soep, waarvan fijngehakte bladeren van boerenkool het hoofdbestanddeel uitmaakt; mousplanten (het enkelvoud komt bijna niet voor) = boerenkool, tot zekere hoogte opgegroeid, om verplant te worden. “Terwijl gewassen aan water gebrek lijden en geen knol- of moesplanten kunnen worden verpoot”, enz. (1874). Ook voor: boerenkoolplant in ’t algemeen: “We kunnen melden dat in den tuin van … te Ezinge een tweejarige moesplant staat, die”, enz. (1869); sniemous = soort van boerenkool, of: koolzaadplanten, nl. zomerraapzaad, waarvan vroeg in ’t voorjaar alleen de bladeren worden gegeten, evenals van de snijsalade; spruutjemous = de bladeren die ’s voorjaars aan de stronken groeien, en als nieuwe uitspruitsels gegeten worden; bladjemous = de bladeren, die men van de verplante of staan geblevene, welig groeiende mousplanten plukt en toebereidt. – Moushörn, in geschrifte Moeshorn, eene buurt onder Uithuizen; ook een deel van de gemeente Winschoten; moustoenen, in geschrift moeskertuinen = de warmoezerijen buiten de voormalige Boteringe-, Heere- en Oosterpoort te Groningen. – In de Voordracht van Burgemeester en Wethouders van Groningen (Maart 1880) komt o.a. voor: “Behalve van de Drentsche laan zijn ook gedeelten van de Kerklaan, het Bessemoerspad, den Moeskersweg en het Studentenpad.” Rijm: Mous is goud veur drous (droes), Moar wordt ’t spek d’r oet vergeten, den is ’t gijn menskeëten. Zegswijs: iemand onder ’t mous stoppen = overbluffen, door groote woorden het zwijgen opleggen; zij willen mie onder ’t mous stoppen (Ommelanden), meestal schertsend voor: zij zijn er over uit dat ik mij voor overwonnen zal verklaren, dat ik mij beest zal geven. Spreekwoord: Dat past as ’n haspel op de mouspot (= Dat past as ’n oranjevlag op ’n miswoagen = Dat past as ’n himphamp op ’n mōsterdmeulen) = dat staat in ’t geheel niet goed. ’t lijkt niet, omdat het niet bij elkander behoort. – ’t Hoes op beun en de ledder in ’t mous, zooveel als: wij kunnen onmogelijk bij u komen want dan zouden wij huis en alles aan zich zelven moeten overlaten, en dat gaat toch niet. Vgl. het West-Vlaamsch: het huis op den zolder sluiten. Geheel het gezin trok naar de kermis, en men sloot het huis op den zolder. (De Bo). – Van Dale: moes, boerenmoes, boerenkool; J. Ritzema Bos: boerekool, in Groningen “moes” genoemd; Kil. moes = mondkost, leeftocht; Drentsch moes, Overijselsch boerenmoes, Geldersch lankmoes.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
moes , mü̂̂sken , Dit woord voor: groente, moes, hoorde ik in de uitdr.: Vleisken wat, en mü̂̂sken zat d.i. jullie krijgt zooveel vleesch als je gegeven wordt, en van ʼt andere zooveel als je lust.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
moes , moes , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. prakmoes, smeermoes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
moes , moes , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij vissers. De mindering van het net. Wanneer na het breien van een aantal gangen van dezelfde grootte het net geminderd moet worden, dan geschiedt dit door het maken van een moes of mindering, waardoor twee masken (mazen) vlak naast elkaar komen te liggen. Men krijgt dan een aantal moezen bij elkaar. – Evenzo elders in N.-Holl. || Ende sullen alle Netten moeten breedt zijn seven hondert vijftigh Masken ofte Scholen, ende ’t selve alsoo totten eynde toe continueren, tot de lenghte van hondert vier-en-veertigh overganghen (ofte twee-en-tseventigh moesen) toe, sonder eenighsins te verminderen, op de boete van dertigh stuyvers op yeder Net te verbeuren, Handv. v. Ench. 232b (a° 1624).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
moes , mous* , ook: lankmous, evenals ’t Geldersch (zie slot van ’t artikel.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
moes , mü̂sken , Dit woord voor: groente, moes, hoorde ik in de uitdr.: Vleisken wat, en mü̂sken zat, d.i. jullie krijgt zooveel vleesch als je gegeven wordt, en van het andere zooveel als je lust.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
moes  , moos , gekookte groente.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
moes , mous , stamppot van boerenkool
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
moes , moos , zelfstandig naamwoord, mannelijk , boerenkool. Dat drit um t vet neet in n moos, dat brengt hem de welstand niet aan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
moes , moes , o , stamppot.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
moes , mous , boerenkool
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
moes , mós , koël; örges zîen mós á hebbe: iets ni gemekkelijk vinge.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
moes , moes , moos , boerenkool.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
moes , moes , moes.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
moes , moes , moens, moos, mous, moous , de, het , (Zuidoost-Drenthe). Ook moens (Zuidwest-Drenthe, noord), moos (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), mous (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), moous (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. boerenkool Aj moos wilt eten, mut het eerst vrèuren hebben zegt ze (Bei), Wie kriegt vanmiddag erpel met moes stamppot boerenkool (Emm), Hie hef eine in de mous lopen is de kluts kwijt (Bco), Hai het aol nog ain in het mous zitten heeft ze niet alle zeven op een rijtje (Zui), Die jong is zo groot worden, die kan zien vaoder de moes wel van de kop eten (Bor), Ik bin neet geboren, ik kom uut de moos (Die), Hij is deur de roepen op het mous scheten van een ‘onecht’ kind (Eel), Dat kind is zo gruin as mous het weet nog niets (Een), Oons volk hebt een groot koppel moos en een beste lap hoender ze bezitten niet veel (Gas), Ze is een duvel van een wicht, maor ik krieg heur wel onder het mous onder de duim (Rod), Het mannegie mit mous zit weer in de maone het maanmannetje (Twe), 2. moes Dat bint mooie appels um der moes van te maken (Sle), Kom hier, ik zal je tot moous houwen (Eex) *En wat is het mooi weer / En wat gaait ’t er heer / En wat hebben ons volk mooi mous / Mooi mous in de toene / Mooi spek in de wieme / En wat hebben oons volk mooi mous (Erf); Mous is een duur vret, eerst mous en dan het vet (Vri); Weert het niet op het heui, dan weert het op het moes gezegd bij regenweer (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
moes , moes , boerenkool.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
moes , moes , boerenkool.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
moes , moes , zelfstandig naamwoord , zie boeremoes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
moes , moes , zelfstandig naamwoord , de 1. boerenkool, boerenmoes 2. bekend gerecht van boerenmoes, boerenkool: boerenkool door aardappels gestampt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
moes , moes , 1. groente; 2. (stamppot) boerenkool; moes deurmekare, moesmuis, stamppot boerenkool; moesgoed, kervel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
moes , [kool] , moos , (onzijdig) , 1. kool, alle koolsoorten behalve bloemkool 2. moes , Greun moos: boerenkool. Hoeal mich ins ein hödje moos.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
moes , mós , moes
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut