elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: muil

muil , mü̂l , (mannelijk) , muil.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
muil , mü̂le , (vrouwelijk) , mü̂len , stof, muil.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
muil , muil , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zegsw. Ze dient wel op vilten muiltjes na onzen lieven Heers hemeltje te gaan, of ze blijft onderweg nog liggen (gezegd van een zwak, teer persoontje). – Vgl. de samenst. schoenemuiltjes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
muil , moel , mond, snuit. Zien moel geit wie einen telderlekker zien gaat, hij praat buitengewoon veel en aanhoudend.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
muil , můůl , muil, bek
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
muil , müüle , vrouwelijk , muil (soort pantoffel)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
muil , muule , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , muuln , muulken , muil
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
muil , moel , m , bek, mond, muil Houd’ oewe moel! Houd je mond!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
muil , moe:l , bek van een dier.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
muil , moel , zelfstandig naamwoord , muil (KRS: Coth); ‘Hou je moel dicht!’ (Coth)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
muil , moel , mule, muul, muultie, muil, muiltje , de , moelen , (niet Zuidwest-Drenthe). Ook mule (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), muul, muultie (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), muil, muiltje (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = muil, slof ...en dan schèut ze in de mulen en daor klepperde ze hen (Hol), Hie har moelen van zien moe an (Sle), Mulen en hölsen wörden vrogger veule deur vrouwen in huus edrèugen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
muil , moel , de , moelen , muil, bek, weinig gebruikt voor mensen, meer voor (verscheurende) dieren Toen ik bij hum kwam, zette hie direct al een grote moel op (Dro), Wat een grote gofferd van een hond en moej die moel ies zien (Hijk), De kou hef een moele (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
muil , moel , mond, gezicht. vroeger hoorde men op een schoolplein regelmatig de kreet, héé jaa, op de moel!, om de vechtersbazen aan te moedigen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
muil , mule , muil, slof
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
muil , muuln , muilen (schoenen).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
muil , muultien , zelfstandig naamwoord , et; muil(tje), slofje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
muil , moele , moel , zelfstandig naamwoord , de 1. mond 2. grote muil
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
muil , moel , mond
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
muil , moel , muil.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
muil , moel , zelfstandig naamwoord , mond, bek (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
muil , moel , (vrouwelijk) , moele , muulke , muil, mond , De moel neet oeape doon. Det bietje pudding is de moel getèrgdj: dat is zo’n kleinigheid, dat is de moeite niet waard. Doe mós hie gein moele kómme make: je moet geen ruzie komen zoeken. Ein groeate moel höbbe: een grote mond opzetten. Ein moel wie ein sjöp höbbe: een brutale mond hebben. Emes op zien moel houwe: iemand op zijn gezicht slaan. Haod dien moel: hou je mond. Moele trèkke: gezichten trekken. Väöl moele höbbe: veel praatjes hebben.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
muil , mèùl , zelfstandig naamwoord , möltje , muil; WBD III.4.2:32 'muil' - bek; ook genoemd: 'bakkes', 'bek', 'kweek' WBD III.1.3:245 'muil' = muiltje; möltje; verkleinde vorm; Henk van Rijen – muiltje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
muil , moel , moelle , muulke , muil
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut