elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: modder

modder , mōdde , modder, slijk.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
modder , modder , (mannelijk) , modder, drek (zand en water).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
modder , mōdder , (onzijdig), in ʼt Westerkwartier mōtter, heeft hier meest de beteekenis van: slijk, in ʼt Nederlandsch die van: aarde, in ʼt algemeen. Zegswijs: hij wijt van de mōdder (Westerwolde) = hij is met de zaak op de hoogte. Vgl. oost.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
modder , modder , mudder , (mòddər) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast soms nog mudder. Zie de wdbb. || Zo vet as mudder (zeer vet).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
modder , mōdder , mōtter , (Westerkwartier mōtter ) heeft hier de algemeene beteekenis van “aarde”, in ’t Nederlandsch de bijzondere van “slijk.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
modder , môdder , modder.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
modder , módder , mengsel van aarde, vuil, allerlei organische stoffen en water.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
modder , modder , modde , de , Ook modde (dva, Sle veroud.) = 1. modder, slijk Der was zoveul modder in de dam, der was gien deurkommen an (Hijk), Die koenen gungen tot de hakken antoe deur de modder (Schl), Hij is zo vet as modder (Dwi), Een koe met vrang, daor moej zoere modder an doen modder uit de sloot of uit de goot (Sle), Hij had een figuur as modder een slecht figuur (Bor), Modder zweiten erg zweten (wh), (fig.) Hij hef oos lelijk deur de modder haald (Bei), ...trokken ons belasterd (Gie), Nait zo met modder gooien kwaadspreken (Zui), IJ möt mangs veur een ander de modder oet de sleute halen andermans problemen oplossen (Pdh) 2. benarde situatie In de modder zitten in de problemen (Zdw), Laot hum in de modder stikken laat hem barsten, laat hem zijn eigen problemen oplossen (Emm), Iene de modder intrappen en iene uut de modder helpen resp. kleineren en er weer bovenop helpen (Nam) 3. met water vermengde veenspecie bij het baggeren (veend. Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) De modder gung deur een geut in een grote bak. Daor stund iene mit een grote schuppe en die streek de modder vlak, zodat het overal vol was, ong. 18 cm. As het dan wat bedreugd was, weurden de schotten er um weg haald en weurd het vene in blokkies sneden (Geb), De modder uut de mengbak achteruut warken (Pes) *Een kring um de zun mak de modder dun (Ndo), z. ook bij maon; Spuit elf gef ok modder hij doet ook een duit in het zakje (Noo); Zat de krèei met de kerstdagen in de snei, dan zat e met de paosen in de modder (md)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
modder , modder , modder
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut