elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mist

mist , mis , nevel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mist , mist , de , mist Wij zit nou al een paar dagen aordig in de mist (Nije), Der komp mist opzetten (Zeij), Ze is zo eigenwies ewörden, ze zet oons in de mist niet meer hangen (Hgv) *Mist boven snei en sliek gef binnen drei dagen een harde diek (Hoh); Mist, vorst in de kist (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mist , mist , zelfstandig naamwoord , mist
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mist , mis , zelfstandig naamwoord , mest
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mist , mis , d’r is mis an de luch, ’t gaat misten; ’t mist
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut