elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: misselijk 

misselijk , misselijk , eene zekere flaauwte.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
misselijk , misselijk , onzeker, toevallig. , ’t Ismet het weêr; - hoe lang Jan nog uitblijven zal.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
misselijk , misselîk , treurig. (Odoorn.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
misselijk , missêlk , oakêlk , in: missêlk mooi = oakêlk mooi, als versterking in gunstige beteekenis.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
misselijk , miselk , als versterkend bijwoord, met gunstige beteekenis, bvb. in miselk(e) mooi, evenals oakelk(e) mooi; vgl. mal * en noar *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
misselijk  , misselik , Misselikke kaerel, beroerling.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
misselijk , mislek , eenn mislek drukng, iem. platdrukken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
misselijk , misselek , misselijk ik vuul mien éêge ’n bietje misselek. Ik voel me een beetje misselijk; misselijkmakend Wa’ne misseleken hond ziede toch! Een onuitstaanbaar iemand; naar Dè vien ik mar bar misselek van ow! Dat vind ik erg naar van jou!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
misselijk , misselek , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze misselek is nag niet mooi genog, gezegd van lieden die zich op misselijke manier gedragen, die overdreven of hinderlijk uitgelaten zijn of gek doen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
misselijk , misselek , bijvoeglijk naamwoord , misselijk. 1. ’t Is misselek (’t is niet te zeggen) hoeveul minse d’r ingetrapt zèn. 2. Dè’s nie misselek zèg! Dat is geen kleinigheid.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
misselijk , misselijk , mislijk, misselk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook mislijk, misselk (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. onpasselijk Aj eerst in verwachting bint, kuj oe arg misselijk vulen (Ruw), Ik wor misselijk van die regen (Rod), Hie was zo misselijk as een kat (Anl), ...een krèei (Wes) 2. ergerniswekkend Wat een misselijke kerel met zien flauwe, male praoties (Vri), Wat ziet die erpel der misselijk oet veel onkruid etc. (Sle) 3. geweldig (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat een misselijk groot gebouw is dat (Sti), Dat is een misselijk ende weg (Hol), Ik heb daor een mislijk mooie jurk zien (Coe) 4. verschrikkelijk Wat leef wij in een misselijke tied (Anl), Het is mislijk, zoas ze daor tekeer gaot (Sle) 5. in niet misselijk geweldig, niet mis Een pries uut de lotterije? Dat is niet misselijk (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
misselijk , misselik , mislik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , misselijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
misselijk , misselek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , onberekenbaar, onzeker (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
misselijk , misselek , stoffelijk bijvoeglijk naamwoord , PM onzeker, nog een vraag; Hoe laot ie töskómt, dès misselek!; Hoeveul er in de pòt zit, dès misselek!; Biks misselek bijvoeglijk naamwoord  - misselijk; WNT MISSELIJK 5) Onzeker, hachelijk, thans verouderd. Bij deze bet. denkt men onwillekeurig aan het ww missen; een woordje 'misselijk', daarv.inderdaad afgeleid, bestaat in W-Vl, in de zin v. kunnende gemist worden, ontbeerlijk; Verh. MISSELIJK bijvoeglijk naamwoord  - moeilijk te raden. Als bv. gevraagd werd wat iemand wel aan bezit of inkomen had en het antwoord luidde 'dès misselijk', betekende dit dat het bedrag zeker niet laag zou zijn. ANTW. MISSELIJK bvw. - met 'n persoon als onderw.: moeilijk, lastig v. karakter, knorrig, gemelijk: 'ne misselijke meens'; ook: woest, baldadig; driftig, oploopend; onpasselijk; met zaak als onderw.: onaangenaam, allendig; Hft. MISSELIJK voor misnoegd, te onvrede; b.v. misselijk over iets zijn. Kil - morosus, difficilis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut