elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: minderen 

minderen , minderen , (zwak werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. en vgl. een zegsw. op koeketer. – Van koeien. Minder melk gaan geven. Synon. tekken; zie aldaar. || De bonte mindert. De zwarte is klak gaan minderen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
minderen  , mindere , langzaam afminderen bij het breien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
minderen , mindere , werkwoord , Ook: 1. Minder melk geven. 2. Minder praatjes hebben. | Ho, ho efkes mindere, opskepper! 3. Minder te besteden hebben. | We moete allegaâr mindere.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
minderen , mindern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. minder worden De veurraod draank is aordig minderd vanaovend (Erf), Het mindert wat met het onweer (Gas) 2. minderen, kalmer aan doen Meerdern en mindern van steken (Nam), As alles zo duur wordt, muw vanzölf wel wat mindern (Noo), Een beetien mindern, ie rieden veul te hard (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
minderen , minder worre , minderen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut