elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mikmak 

mikmak , mikmak , (mannelijk) , mikmakken , ongemak, verstoring. Door een nog al beduidend mikmak aan het rijtuig viel het om en kreeg de voerman een klein mikmak aan zijn been.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
mikmak , mikmak , wat dooreengemengd is (van niet vloeibare stoffen), een mengelmoes dat weinig waarde heeft, Oostfriesch miskmask, Nedersaksisch mikmak, mismask, Hoogduitsch Misch-Masch. Van: mischen = mengen, vermengen, dooreen roeren, met reduplicatie en verwisseling der i met a. Vgl. ’t Fransche micmac.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mikmak  , mikmak , Den hiëlen mikmak, den heelen boel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mikmak , mikmak , zelfstandig naamwoord de , Ook: mankement, pech. | Ik hew weerders mikmak mit m’n maaimesien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mikmak , mikmak , de , 1. mikmak, rommel, warboel Ik gung met de heile mikkmak de sloot in (Zey), Even rap de mikmak an kaant maken (Rui), Zie hebt mij de hiele mikmak opvreten boel (Man) 2. allerhande slag volk De hiele mikmak was er, het was een hiele drokte (Schn) 3. drukte (Kop van Drenthe) Maok der maor niet zo’n mikmak, ...drokte over (Vri), z. ook hakmak
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mikmak , mikmak , (Gunninks woordenlijst van 1908) mengsel, allegaartje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut