elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mik 

mik , mik , brood van gezift roggemeel.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mik , mik , Een tamelijk groot, langwerpig of rond brood, hetzij met of zonder krenten, van gezift roggemeel of roggebloem. De Overijselsche boer zegt daarvoor stoete, welke echter de Geldersche mik verre in smaak en witheid overtreft. In Groningen noemt men mikken, roggebroodjes. Conscience in zijn de Loteling, Antwerpen, 1851, bl. 27, spreekt van kramikkenbrood, waarvoor de Fransche vertaling heeft: pain de froment, p.m. 22. Het woord is ook elders bekend, als: ‘Nu moet ik zelf, ik Abt, mijn harde roggenmikken, / Mijn zuur verlegen bier, o smart! naar binnen slikken.’ (Het Proces van Wilhelmus door A. Telting, Keur van Scherts en Luim, II, 135). Vergelijk nog het Fransche miche, voor een klein wittebrood, anders wegge en voorts mijn Overijselsch Taaleigen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
mik , mikke , (vrouwelijk) , brood met zemels.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mik , mik , (Westend.) = oogmerk. Kil. micke, mick = doelwit, (ook bij Hooft e.a.); micken met de ooghen = op een doel turen, mikken; Oostfriesch mikke, mik = doelwit waarop men het oog richt om het te treffen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mik , mik , broodje, stoetje, van fijn roggemeel, ook van grof tarwemeel. Als stofnaam: mikstoet, ook Drentse mik (Ommelanden); eveneens in Noord-Brabant; Friesch mik = wittebrood; mikkebrood = grof brood; Overijselsch, Geldersch mik: zeker brood uit het fijne van roggemeel, Zuid-Nederlandsch kramik; Maastrichtsch mik, brood uit fijn tarwemeel, met melk en eieren gebakken brood voor Kerstmis en andere feestdagen; Heerle: mik = wittebrood; Oostfriesch mikke, mik = broodje, enz.; Nedersaksisch mikke = snede brood, broodje. Kil. micke = tarwebroodje, en in de Aanteekeningen: Dit woord is in Holland niet bekend. In ’t Overquartier van Gelderland, Kleefschland en andere landen daer omtrent wordt brood van fijne uitgezifte bloem van roggen meel met eyeren, Mick genoemd. – (v. Dale: mik = broodje, van fijn roggemeel gebakken.) – Fransch miche = wegge, brood, wittebrood; Latijn mica = kruimeltje. – Vergelijking: sloapêrg as ’n mik.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mik , mik , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Gaffelvormige steunbalk, stutpaal. Zie de wdbb. – Zegsw. Binnen mikken, onder dak, binnen de mikken, de stutten van de hooiberg. || Zie zo, ’et hooi is weer mooi binnen mikken. – Ook binnen, geborgen, in ’t algemeen. || Ik was net voor de bui binnen mikken. Nou hoor, hij is binnen mikken (hij heeft zijn schaapjes op het droge). – Evenzo in de Beemster; zie BOUMAN 11. – Vgl. de samenst. stellingmik, mikbeen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mik , mik , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Roggebrood. || Haal nag effies ’en mik van de bakker. – Tegenwoordig heeft men ook mikken en krentemikken die van tarwe gebakken zijn, een soort van vast krentebrood. Dit wordt ook wel mikbrood genoemd. – Mik in de zin van een fijn, vast brood is in bijna geheel ons land en Nederduitsland bekend; vgl. FRANCK en VAN DALE op mik, KOOLMAN op mikke. 2) Een snede roggebrood. || Geef me maar ’en flinke mik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mik , mik* , 1: ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mik  , mik , wittebrood.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mik , mik , m , groot ongesneden brood. ’n Sneej(ke) mik. Een snee(tje) brood; vorse mik vers brood; mik. ’t Is dikke mik Het is dikke mik! Het is in helemaal in orde.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mik , mik , m , kont, billen. ’k héb juks án miene mik. Ik heb jeuk aan mijn kont.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mik , mik , roggebroodje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mik , mik , wasknijper (mikkebak); ook gebezigd voor katapult
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
mik , mik , zelfstandig naamwoord de , Brood (verouderd). Wel nog gangbaar in samenstellingen als krentemik, roggemik.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mik , mik , zelfstandig naamwoord de , (Gaffelvormige) steunbalk of stutpaal uitspringende hoek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mik , mik , langwerpig wittebrood.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
mik , mik , zelfstandig naamwoord , mik. 1. Witbrood. 2. Gaffelvormige boomtak of stam, bijvoorbeeld de putmik. 3. Plaats waar de dijen bij elkaar komen. Hij schupte-n-em toch in z’ne mik!
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
mik , mik , mikke, migge , de , mikken , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook mikke of migge (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. ongerezen brood van gemalen ongezift koren, zowel gebakken in blik als gekookt in een buil Mik is bakken van grof gemalen meel en is miestal niet goed gaar (Emm), Met die dreuge mik kuj eein wel een gat in de kop gooien (Anl), Zo dreuge as (olde) mikke (Die), Een migge of mikke is een gebakken stoete. Dat mag mit krenten wezen, het hoeft niet (Hol) 2. vervelend persoon (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Wat een rare mik van een vent (Oos) *Schele Mik / Veur een dubbele pik / Veur een dubbele traon / Waor komp schele Mik vandaon scheldvers (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mik , mikke , de , mikken , (Zuidwest-Drenthe) = 1. kop van een pomppaal De pompeslaeger dreide ien de mikke (Wsv) 2. gaffelvormige stutpaal (Zuidwest-Drenthe, noord) Het hekke in de mikke gooien (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mik , mik , wit brood.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mik , mik , gaffelvormige stok.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mik , mik , brood van roggemeel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mik , mik , witbrood , Wie hier bróód hi moet nie óp ‘n ander gôn vur de mik. Wie hier bruinbrood heeft moet niet op een ander gaan voor witbrood. Het is hier zo slecht nog niet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mik , mikken , zelfstandig naamwoord , mv.; moederkoren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mik , mikke , zelfstandig naamwoord , de 1. hetz. als aolmikke 2. gaffel waarin de zeisboom ligt bij het haren van een zeis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mik , mik , mikke, mikker , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. brood 2. krentenbrood 3. in van de mik overstuur 4. het eenmaal kort, goed naar iets kijken 5. schele mik iemand die scheel kijkt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mik , mik , zelfstandig naamwoord , mikke , mikkie , 1. steun, gaffelvormige stutlat of tak Daer mot een mikkie onder dien tak want hij buig deur en demee breektie Er moet een steuntje onder die tak want hij buigt door en straks breekt hij 2. vork met botte tanden Zie ook oortvurrek, opstrooier
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mik , mik , mikke , bijwoord , [O] geborgen, binnen Hij is mikke! Hij is binnen! (hij heeft veel geld verdiend)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mik , mik , brood
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mik , mik , gaffelvormig (van tak)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mik , mik , rond brood , vruger wierenur dur n’n bakker mjeer mikke gebakke dan aandere brwoijer = vroeger werden er door een bakker meer ronde broden gebakken dan andere soorten (vormen) brood-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
mik , mik , mikke , 1. brood van roggemeel; 2. groot formaat brood; 3. krentenbrood; 4. plaats waar een stam of tak zich in tweeën splitst; 5. gevorkte tak.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
mik , mik , zelfstandig naamwoord , kruis (menselijk lichaam), vork in een boomstam (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); mik; wittebrood (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mik , mik , zelfstandig naamwoord , "verkleinwoord: mikske; brood, tarwebrood, melkbrood, waterbrood; brood waarvan tarwebloem het voornaamste meelbestanddeel is; en waarin zemelen met het blote oog niet waarneembaar zijn. (Koninklijk besluit 4 juni 1998); WBD III.2.3:186 'mik’ = wittebrood; ook 'witte mik' of 'wit mikje' – Brood van fijn gebuild tarwemeel waar alle zemelen uit verwijderd zijn. Piet Heerkens - Den aawe Teurlings wiste de taoffel aaf mee 'nen; slip van z'ne kiel, sloeg de kat naor den aanderen hoek van de kaomer en smeet et brood en de mik in de kaast. ; zie voor bruinbrood zie brôod; zie voor melkbrood zie mèlkmik; zie ròggebrôod; WNT: Etymologisch zal 'mik' wel verwant zijn met fr. 'miche', doch men kent dit verband niet…. WTT-2012: De etymologie is sindsdien (WNT) duidelijker geworden. Rey - Dictionnaire historique de la langue française - geeft onder lemma MICHE: 'est issu (1172-1190) du latin populaire ""micca, forme renforcée de mica «parcelle, miette».'; 1. witbrood; Hier zèn twee mikke. Mar ik lus gin mik. - Hier zijn twee wittebroden; maar wittebrood lust ik niet. MP, R Van brôod wòrde grôot, van mik wòrde dik; ene mikken bótteram - een boterham van wittebrood; gez. dikke mik - dik in orde; gez. dikke mik meej zuure zult - heel dik in orde; Kubke Kladder - 1930 – Swels Toontje, na een pruim tabak uit Tiesten tabaksbuil achter zijn kaken te hebben gewerkt, de voornaamste gebeurtenissen uit zijn zwerversleven zat te vertellen, zorgde Kee voor de boterhams. Er verscheen op de tafel een halve boerenmik en 'n stuk gekookte kinnebaksham, waar iemand 'ne moord voor doen zou. Toontje genoot al zichtbaar van deze voorbereidselen alleen. Toen de goeie boerin nog een tas dampende koffie ingeschonken en mee 'ne punt van d'ren blauwen schort 'ne tip van de tafel schoongeveegd had, zei ze voldaan: ""Ziezoo Toontje, ge kunt aan den slag,"" en ze voegde er lachend bij: ""as ge nie genog hed wittet mar te zeggen!""... Toontje was niet te lui om aan te vatten en ie begos z'n eigen goed te doen. Breeë sneeën as schoenzolen van maat achtenveertig rispte-n-ie van den mik. (Pierre van Beek; Kubke Kladder; column in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1930); Daor was er eens 'nen boeremik; 'nen boeremik mee krente; van drie en dartig cente; en de mik waar lang en dik. En de boeremik laag dik en lang; al donkerbruin van bove; te bakken in den ove; mee 'n kleurken op z'n wang. (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Van de luien bekker’, 1938); Cees Robben - Gin brôod, gin mik, en kaoj wèèf; krintjes öt de mik pölleke; ...zis man moes worre ötgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag); Dan snee ze [moeder] irst de witte mik/ En 't kuntje daorvan dè krèèg ik / De smaok daorvan vergeet ik nôôt/ Nao alle daoge roggebrood. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag); Ik haol wir vorsgebakke mik/ Bij onzen ègen bekker/ Want toen die mee vekaansie/ Was 't nergeraans zó lekker. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag); Ik zô’t gaon missen, et eten van die grôte sneeje mik meej reuzel. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Ze lieten twee blikskes corned bief aachter en zonne vierkaante witte mik, bij ons waar et brôod aaltij langwerpig. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Piet van beers – Ik haaw nie zôo van mik./ Ge kunt er slèècht van poepe./ Mar….""wit"" meej vèrse aardbeie/ daor kunde me vur roepe. (CuBra 2008); WBD III.2.3:186 'mik’ = wittebrood; ook 'witte mik' of 'wit mikje' – Brood van fijn gebuild tarwemeel waar alle zemelen uit verwijderd zijn. - wit mikje (wit mikske): Tilburg. WNT MIK (I) Thans in allerlei streken de naam voor brood van tarwe of van roggebloem (soms ook van grof meel); WBD III.2.3:192 'ronde mik' - rond wittebrood; WBD III.2.3:188 'mik' = tarwebrood; WBD III.2.3:193 'mik' = langwerpig wittebrood; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MIK. Deze soort van brood wordt hier veel gebakken, zoowel van tarwe als van rogge. Z.a. (o.a. mikkenbrood); K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MIK; een soort van brood uit bloem van roggemeel en zomtijds uit tarwemeel gebakken. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  et klòpt as twaalf aajer meej nen mikken bótteram (v3 Tilburgse Taalplastiek 1970); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  òch èèrm stèùversmikske, wè hèdde tóch wèèneg krèùm (D’16) - ...wat stel je toch weinig voor. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  meej de Paose krèège me mik óp mik èn kèès dertusse (D'16) - uit de tijd toen wittebrood, 'mik', nog luxe was. zie mikke vink; 2. putgalg, vorkvormige vertakking; WBD - putgalg (naast de put staande gaffelvormige paal met putzwengel); - deel v.e. boom waar de stam zich in tweeën splitst; Pierre van Beek – ""Dat komt uit als spurrie met ’n mikske (…) Voor een niet-Tilburger is deze uitdrukking ongetwijfeld met duisternis omhangen. ""Spurrie"", dat als voeder voor het vee door de boeren op de akker verbouwd wordt, kent men nog wel, maar met dat ""mikske"" wordt het al wat moeilijker. Dit is het verkleinwoord van ""mik"". En hieronder verstaan wij in onze streken (behalve een wittebrood) ook een ""gaffel"". ""Gaffel"" heeft ook de betekenis van hooivork maar die wordt hier niet bedoeld, al houdt ook deze benaming toch wel verband met onze ""mik"". Een ""mik"" dan duidt een vorm aan van een Griekse ie, dus Y. Men treft deze o.a. veel aan in houtgewassen, daar waar takken of stammen zich in V-vorm splitsen. Nu schijnt het een eigenschap van spurrie te zijn, dat deze zich ook V-vormig vertakt. Als dit gebeurt, wordt voldaan aan een voorwaarde, waaraan spurrie behoort te voldoen. Dan is de zaak in orde. Dan ""klopt"" ze dus. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950); WBD III.4.3:53 mik - splitsing v.e. stam; ook vork of gaffel genoemd; WBD III.3.2:130) mikske = stokje dat aan één kant in twee uiteinden uitloopt, waarmee kinderen vogelnestjes uithalen; zie putmik; 3. stuit, achterwerk, kont, kruis van het menselijk lichaam; WBD III.1.1:135 'mik' = kruis (mik); Stadsnieuws -  Bij et voetballe wier ie ontiegelek teege zene mik geschupt. (040307); 4. de voorgaande samen; Verh. MIK m - 1. wittebrood; 2. plaats waar aan een boom een zijtak groeit; 3. kruis, plaats waar de benen beginnen: toe z'ne mik toe. Bont zelfstandig naamwoord  m. - l) 'ene mik (= weg) bouter'; 2) wittebrood; Antw. MIK zelfstandig naamwoord m+v. - gaffelvormig hout. 'Nen boom mè' 'ne mik. MIK zelfstandig naamwoord v. - brood van tarwebloem, wit brood; MIK zelfstandig naamwoord v. en m. -bij kleerm.: kruis der broek; Biks mik zelfstandig naamwoord  - mik; witbrood, gaffelvormige boomtak, plaats waar de dijen bij elkaar komen; Bosch mik - wittebrood; gevorkte tak; kruis;"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut