elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mijden 

mijden , mîen , mîden , (sterk werkwoord) , mijden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mijden  , mieje , mijden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mijden , mieden , sterk werkwoord, overgankelijk , (zelden gebr.) = mijden Die moej mieden, dat is gien beste of Hie midt zuk wark (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mijden , meijn , mijden. Wie heb ’m emeejn. Ik mieje die keerl.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mijden , mieden , werkwoord , 1. mijden, trachten te ontwijken 2. zich ontzien, zich sparen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mijden , maaie , werkwoord , maai, mee, gemeeje , (ver)mijden Je ken die kroeg beter maaie want ‘t is taer altijd knokke Je kunt die kroeg beter mijden want daar wordt altijd gevochten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mijden , mieje , mietj, miedje, gemiedj , mijden
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mijden , mieje , maed – gemaeje , mijden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut