elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: miezel 

miezel , mijzel , (zelfstandig naamwoord) , zie miezel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
miezel , miezel , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Een persoon die klein en schraal is. || Wat is ’et ’en miezel (een tenger, min kind). De vrouw van Klaas is toch zo’n miezel, ’t is net ’en kind. – Vgl. Vla. mijzel, kruimel, klein stukje; mijzelen, miezelen, aan kleine stukjes breken (DE BO2, 609; SCHUERMANS 377); Fri. honnemiezel, hondekeutel. – Zie miezelig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
miezel  , moezel , motregen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
miezel , miesel , mist, nevel, damp.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut