elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mies 

mies , mies , voor: afkeerig; hij ’s mies = hij toont zich afkeerig, wil er niets van weten, bv. van dat meisje. – Ook = knorrig, boos; ’k wōr mies dou ’k dat heurde. – Noordfriesch miesen = mijden; Oostfriesch mîs = vochtig, mistig, nevelig, somber, donker, duister, verdrietig, enz. hê kikt so mîs = hij ziet zuur, zijn gelaat staat treurig, verdrietig, ontstemd, enz.; hê wurd d’r gans mîs fan, as hê dat sag. – Met mist, (Kil. miest, mist), mest, en: miezig, van: miegen (Angel-Saksisch mihan). Zie: miesêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mies , mies , (zelfstandig naamwoord) , Alleen in het meerv. miezen. Geld, centen. || Hij heb miezen, hoor! – Evenzo elders in Holl. Mies voor geld vindt men o.a. bij ALEWIJN, Beslikte Swaantje 28: “De mies die heb ik, net van pas, vooraf gestooken in myn tas”. Het woord is in de Amsterdamse volkstaal ook gebruikelijk in de verbinding mies en moos, welk laatste woord is overgenomen uit het Jodenduits (Tijdschr. 2, 73). Het bij BOUMAN 68 vermelde “miezen, geld, inleg bij zeker spel; de miezen verzamelen, hij past op de miezen”, zal wel zijn het aan het Fra. ontleende woord mise, inleg, inzet (VAN DALE).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mies  , mies , kat.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mies  , mies , Zich de mies lache, ziek lachen. Der mies oetzeen, slecht uitzien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mies , mieskes , de mieskes wier hebm, zich weer ziek houden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mies , mies , akelig, naar
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mies , mies , TL 563, waar niet wordt geconstateerd, dat hier sprake is van een Jiddisj woord, afgeleid van het Hebr. MIEOES = afkeer; van werkw. dat dikwijls in de bijbel voorkomt, in de betekenis: verachten. Veel gebruikt. Meestal in de nuance: lelijk, ’n Mies wicht. Ter Laan hanteert de term foutief. Vgl. ook 564 onder MIEZEG, MIESDERG.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
mies , mies , bijvoeglijk naamwoord , (Kop van Drenthe) = slecht Het is al een dag of wat mies weer (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mies , mies , tussenwerpsel , (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied) = roepnaam voor een poes
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Mies , [poes] , ies , vrouwtjespoes
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut