elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: midden 

midden , midde , (onzijdig) , midden.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
midden , midde , (vrouwelijk) , midden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
midden , middel , (bijwoord) , Midden. Bît d(i)ee appel maor middel dör. Ik bin al middel in ʼt bôk. H(i)ee spronk middel van de brügge òf. Zie: ende.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
midden , midden , (zelfstandig naamwoord onzijdig en vrouwelijk) , Zie de wdbb. || Ik ken de midden niet vinden. Het grootste stuk leit in de midden. De grontwael (ingebroken gat), die op den 25sten November in den Hoogendijck over de midden vande weduwe van Jasper Roeloffs Winters noorder meed ... was gebroocken ... vol te plempen, Hs. resol. (a° 1699), archief v. Assendelft. – Door midden, door de midden, middendoor. || Breek ’et maar door midden. Ik heb die plank deur de midden ’ezaagd. – Door midden wordt ook in de Neder-Betuwe (O. Volkst. 2, 83) en elders gezegd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
midden , middel , (bijwoord) , Midden. Bît d(i)ee appel maor middel dö̂r. Ik bin al middel in ʼt bôk. H(i)ee spronk middel van de brügge òf. Zie: ende.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
midden  , midde , midden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
midden , mirre , (de mirre), midden. In de mirre: in het midden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
midden , middend , zelfstandig naamwoord de , Het midden, in de zegswijze in de middend, in het midden, midden in | Mag ik in de middend zitte? – Deur de middend, doormidden. | Ik zel ’t efkes deur de middend snaaie. – De middend en baaie ende hewwe wulle, alles willen hebben, niets aan een ander gunnen – Je ete nag uit de middend, je hebt het nog niet zo slecht, je wordt nog goed verzorgd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
midden , middend , bijwoord , Variant van midden. | Hai lag middend in de sloôt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
midden , miln , muln , midden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
midden , midden , middel , bijwoord , Ook middel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied en in samenstellingen ook elders) = midden De hokken worden midden op de akker zet (Rod), Midden in het laand was het arg nat (Wei), Hie stiet er midden veur recht voor (Man), Wij moet de kerk midden in het darp laoten (Wes), z. ook midden I, De hond sprung midden maank de petriezen (Gas), Hie kwam middel in de nacht in hoes (Sle), (zelfst.) Midden in de ton kind dat te Zuidlaren als derde de koeien op Pinkstermaandag in de wei heeft (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
midden , midden , de, het , midden Niet veur, niet achter, maor in het midden (Hijk), Dat kleed is in het midden kapot (Wap), Low det mor ien het midden laoten (Ruw), Men mot de kerk in het midden van het dörp laoten met iedereen rekening houden (And) *Deugd in de midden, duvels op kaande gezegd als iemand tussen twee anderen plaatsneemt (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
midden , midden , midden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
midden , de midde , zelfstandig naamwoord , het midden Ze weunde percies in de midde van de straet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
midden , midden , in de midden, in het midden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
midden , millen , 1. midden. Ook in samenstellingen: millenvinger; 2. zie middeldeur(e).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
midden , midde , (mannelijk) , het midden , Ich zoeat inne midde.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
midden , midde , zelfstandig naamwoord , midden – in het Tilburgs niet onzijdig maar mannelijk; Interview met de heer De Kok (1978) –  As en vrouw, as en vrouw, as en vrouw ene klèène krêeg dan ginge ze em meej drieje ginge ze em òngeeve! Èn dan môog ik in de midde lôope want et was ene klèène van mèn. ; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  midden dur den hèrd gaon (De'59) - verwaand zijn; dur de midde - middendoor, in tweeën, doormidden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut