elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meun 

meun , [soort vis] , munne , een zeelt. Tinca. Voluit mud-hond. Oud Holl. muid-hond. L. F. muwd-houn. Een grondige slijmige [Hd. schleihe] visch, en daarom modder-hond. Eng. mud, modder.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
meun , meune , eene soort van brasem, Gron. meune, meuning. Overijs. munne, meune, volgens Halbertsma een zeelt, volgens anderen eene soort van blanken voorn, eigenlijk: mudhond, OHoll. muidhond, Friesch muwdhoun, een grondige, slijmerige visch en daarom zooveel als: modderhond. Zeeuwsch-Vlaand. muidhond = zeelt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
meun , meunîng , meune , meune; eene soort van brasem. Drentsch meune, zekere visch; Overijselsch munne, meune, volgens Halbertsma een zeelt, volgens anderen eene soort van blanken voorn; eigenlijk: mudhond, Oud-Hollandsch muidhond, Friesch muwdhoun, een grondige, slijmerige visch, en daarom zooveel als: modderhond. Zeeland muidhond = zeelt; Zweedsch mudd = eene soort van karper. (v. Dale: meun, zeker bronsachtig bruine visch, dien de visschers aan den hesseling geven; een olijfgroene visch, die in al onze rivieren menigvuldig wordt aangetroffen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
meun , münne , (mannelijk) , Zeelt.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
meun , meun , (zelfstandig naamwoord) , Hetz. als meunvoorn; zie aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
meun , münne , (mannelijk) , Zeelt.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
meun  , meun , dikke boerin.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
meun  , möön , een soort visch.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
meun , munne , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , munn , grove brasem
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
meun , meun , en stevig vrómmes. (WLD III 1.4, 271)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
meun , munne , zeelt (vis).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
meun , meun , de , meunen , meun, kopvoorn Ik heb wal ies meunen vangen met voelmaken in ’t stroom (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
meun , meune , munne , meun (vissoort).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
meun , meun , zelfstandig naamwoord , de; kopvoorn, meun
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
meun , mönne , (zelfstandig naamwoord) , meun (vissoort).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
meun , meun , meune, mun , kopvoorn (leuciscus cephalus).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
meun , [onnozele vrouw] , mäön , (vrouwelijk) , onnozele vrouw , Waat ein aoj mäön!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut