elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mest 

mest , mes , mest, Gron. mis, misse. Dr. Landr. (1712) III, 88 mes = mest. Oudt. messing, missing = mest.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mest , mest , (onzijdig) , fijne afval.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
mest , mes , (mannelijk) , mest.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mest , mis , misse, missîng , mis (Ommelanden) = misse, missîng (Oldampt, Westerwolde) = dōngbult = mestvaalt; op ’n boerenbouldag wordt de mis appart verkoft; de mis stait dicht bie de graft; de neiboer het de mis miend. Kil. messie, messing (Fland.) = mestput. Oudtijds messing, missing = mest. West-Vlaamsch mes = mest; messen = bemissen = bemesten; messing = mestvaalt. (De Bo). Spreekwoord: ’n Hoan het ’n groot recht op zien ijgen misse, zooveel als: iemand heeft in zijn huis en op zijn erf veel vrijheid van handelen, durft zich daar beter laten gelden dan ’t hem daar buiten geloorloofd is, en komt overeen met: As de hoan op ’e mis stait is ’e in zien hoogste recht. Zoo ook: Hij krait as ’n hoan op zien ijgen mis = hij voert een hoog woord, is zeer brutaal. – As ie joe veur strōnt oetgeven, wor je deur ’n ander op de mis gooid = men moet zich niet op den kop laten zitten, en ook: die zich in den draf mengt wordt door de zwijnen gegeten, in ’t algemeen: men moet zijne waarde gevoelen en die weten te handhaven. Vgl. mis 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mest , mis , misse , mis (Ommelanden) = misse (Oldampt), in de Veenkoloniën ook dōng = mest, stalmest; peeremis = paardenmest; zoo: koumis, swienemis, hounderstrōnt (Ommelanden) = houndermisse (Oldampt) (Te Beerta woont eene familie: Hoendermis, spreek uit: Houndermisse.) Vergelijking: zoo nat as mis, of: misse = druipnat, doornat; Oostfriesch mesnat, messenat, Holsteinsch mesnat. Zegswijs: mis drieven loaten = de mest aan de schippers verkoopen in plaats van over eigen land te brengen. Er ligt afkeuring in opgesloten. Drentsch, Oud-Drentsch mes, Kil. mest, mist, mesch, Noord-Brabant, Zeeland mis, Oostfriesch messe, mes, Middel-Nederduitsch, Nederduitsch mes, Hoogduitsch Mist; Oud-Hoogduitsch Middel-Hoogduitsch mist (= drek, mest, mesthoop), Gothisch maihstus = mest, mesthoop. Zie ten Doornk. art. messe, en vgl. miegen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mest , mist , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. varkensmist.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mest , mis , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Mest, mist. || We moeten morgen mis over ’et land kruien. Niemant (sal) sich hebben te vervorderen omme ... uyt dese Banne ofte Jurisdictie te vervoeren ofte te doen vervoeren ... eenige Koe-Mis, Henne-Mis, of eenige Mis, hoe genaemt, Handv. v. Assend. 294 (a° 1766). – Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. b.v. BREDERO, Werken 2, 211 (koemis). Oost-Fri., Ndd. mes, messe, Vla. mes. Zie FRANCK op mest en Indogerm. Forschungen 4, 108. – Zie misbok, mishoop, misscharn, Misven, miswagen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mest , mest , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie mis.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mest , mis* , 1: bij v. Dale “mist” = mest; oudtijds “mes.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mest , mes , mest.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
mest , messe , mest (Wdb. IX, 603). Lange messe, stalmest met stroo vermengd (van vee dat op strooiing staat), korte m. - van dieren op de groep. ‘Op de lange messe staan‘. Mnl. messen, voor Utrecht: Dodt, Archief 7, 102b.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
mest  , mis , mest.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mest , mes , mannelijk , mest. Lången en kuotten mes.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mest , mes , zelfstandig naamwoord, onzijdig , mest
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mest , mis , mizze , mest
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mest , mis , zelfstandig naamwoord de , Mest(hoop). Zegswijze mis is wis, wie goed mest, is verzekerd van een goed gewas of goede opbrengst.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mest , mis , mist , mest. As enne boor stroont zuut goeit-ie d’r mist beej.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
mest , meest , mest in het algemeen; meest brééke, verspreiden van de mest over de akker; meest vaare, vaste mest naar de akker brengen met de kar.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
mest , mis , zelfstandig naamwoord , mest. 1. In ’t voorjaar werd er al eens ’n kèèr mis naar de pestoor of d’n börger (zie aldaar) gebracht. 2. Met de mishaok, een tweetandige vork werd de mishòòp los getrokken. Mis werd ook opgeslagen in ’ne miskùil.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
mest , mes , mest, mizze , de , Ook mest (in de steden, veengeb. Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid; in samenstellingen in diverse plaatsen), mizze (Veenkoloniën) = mest Hie kruult de mes mit de kaore op het laand (Flu), IJ hebt frisse, aole [goed verteerde], lange [met nog veel onverteerd stro], körte en roege mes (Sle), Hie hef ien van de zeuven hen mes strèeien heeft ze niet alle zeven op een rijtje (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mest , mèèst , mist , mest. de kruige li op de mèèstvaalt, de kruiwagen ligt op de mestvaalt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mest , mes , mäs , mest. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mäs (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mest , mas , mest.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mest , méés , mest , Vruuger hôn’ze méés tekort, nouw weete ze nie wa ze meej al dé méés ôn moete. Vroeger hadden ze mest tekort, nu weten ze niet waar ze met al die mest heen moeten.
Ik hôj'jem liever vur't méés, és in de kost. Ik had hem liever voor de mest, als in de kost. Hij eet meer op dan hij voor je verdient.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mest , mest , meste, mes, messe , zelfstandig naamwoord , de; stalmest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mest , mist , mest
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mest , mist breeke , mest verspreiden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mest , mès , mest
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
mest , mas , mast , mest.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
mest , mèès , mès, mis, mist , zelfstandig naamwoord , mest (Eindhoven en Kempenland); mès; mest (Helmond en Peelland); mis; mest (Tilburg en Midden-Brabant); mist; mest (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mest , mèst , (onzijdig) , mest , Es stróntj mèst weurtj, luuetj ’t zich vare: als iets minder erg wordt, is het gemakkelijker om ermee om te gaan. Mèst breie: mest verspreiden. Mèst vare: de mest naar het land brengen en verspreiden.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mest , mist , mis misse , zelfstandig naamwoord , "WBD mest, stalmest, ook genoemd (Hasselt:) 'mis'; WBD mistkalf - mestkalf; WBD mistvörk - mestriek; WBD mistkèèr - mestkar; WBD mist laoje - mest laden; WBD (Hasselt) kunsmis - kunstmest; gez. Henk van Rijen - zólang èèrpel zètten as ge mist hèt - volhouden zolang je kunt; Henk van Rijen - in dieje mist ziede dieje mist nie - in die mist zie je die mest niet; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mis (krt.56); mis + mist (blz. 143); mis; WBD (Hasselt) mest, stalmest, ook 'mist' genoemd; Van Delft - - ""We hebben dan tegelijk veul mis voor ons eirepullaand, want huskemis deugt nie daorveur."" ""Dè witte, war?""(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); WBD misfòlt - mestkuil, ook 'misfòlt' genoemd; WBD miskèùl - idem; WBD (Hasselt:) koejmis - koemest; WBD (Hasselt:) pèrsmis - paardemest; WBD (Korvel:) misse - mesten; WBD mishaok - mesthaak; WBD misstik - meststik; WBD (Korvel:) mis rije - mest naar de akker brengen; WBD (Hasselt:) mis aftrèkke - mest van de kar trekken; WBD (Hasselt:) mishupke - mesthoopje (op de akker liggend hoopje mest); WBD (Hasselt:) mis brèèjke - mest verspreiden; WBD III.4.1:54 mis - vogelmest, ook 'vogeltjespoep' genoemd; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - mis, mes - mest (holl., utr., brab., oosten); Verh. MIS v. - mest: z'n mis hoo:g draoge - lange benen hebben. A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mis (krt.56); mis + mist (blz.143); Antw. MIS, MES zelfstandig naamwoord o. - mest, Fr. engrais, fumier; Biks mis zelfstandig naamwoord  - mest; GD06 èn dan nò de liste mis nòrt kefeej"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
mest , mis , mest
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut