elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mert 

mert , mat , In de uitdr. Ik heb er mat an d.i. het kan me niet schelen. Een r wordt in dit woord niet gehoord. Van Lat. merda-stront, kak.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
mert , mat , In de uitdr.: Ik heb er mat an, d.i. het kan me niet schelen. Een r wordt in dit woord niet gehoord. Van Lat. merda-stront, kak.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
mert  , merd , Örges merd aan hebbe, nergens om geven, kan niets schelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mert , màtte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , màtn , zeurkous. Oarns de màtte an hebm, ergens lak aan hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mert , merd , mert , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze d’r merd an hewwe, er schijt aan hebben, er maling aan hebben (verouderd). Uit Frans merde = stront.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mert , merd , zelfstandig naamwoord , [O, Fra, merde] lak, schijt Ik heb merd an hum Ik heb lak aan hem
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut