elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: merrie

merrie , mére ,  mèr , merrie, moederpaard; Gron. meer, mere, merrie, Kil. merie, merrie, Hooft, Vondel meer; Oostfr. märe, mä̂r; HD. Mähre = oude knol. OHD. merrhe, IJsl. marr, Noordfr. màr, Deensch mär, Eng. mare, Gijsb. Japix marr = paard. (Hiervan: maarschalk, eigenl. zooveel als: paardeknecht.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
merrie , zwartkolde mèr , zwartkolde mèr = zwarte merrie met eene kol; zie ald.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
merrie , mère , (vrouwelijk) , merrie.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
merrie , meer , mere , merrie, moederpaard. “’t Is nou, denk ik, Dou heb ’k voak un meer bereden”, enz. (1838); “’s Mörgens tiedig oet de veeren, Spande ik onze broene meeren Veur de neie Fajeton”, enz. (Roare Raize.). Kil. maere (vet.), merie, merrie; Hooft meer, Vondel meeren = merries; Drentsch mere; Oostfriesch märe, mä̂r, en mä̂rpärd; Hoogduitsch Mähre = paard (verouderd), voorheen een paard bij de steekspelen gebruikt; een oude knol, in eenige streken een moederpaard; Oud-Hoogduitsch merrhe, IJslandsch marr, Noordfriesch màr, Deensch mär, Engelsch mare, G. Japix marr = paard. (Evenwel altijd: nachtmerrie).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
merrie , mére , Merrie. Nachmére. Nachtmerrie.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
merrie , marie , (met klemtoon op ma) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Oude zeug (de Wormer); meest in ongunstige zin. Het is geen compliment voor een varken als men het zo noemt. || Hè, wat ’en ouwe marie. Vooruit, marie, in je hok. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 70).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
merrie , meere , mieere , Merrie. Nachm(i)eere. Nachtmerrie.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
merrie , maer , merrie (paard).
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
merrie , miääre , vrouwelijk , merrie
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
merrie , meare , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , merrie
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
merrie , meer , meere , merrie
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
merrie , merrie , zelfstandig naamwoord de , Ook: schertsend voor vrouw | ’t Is ’n beste merrie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
merrie , márie , zelfstandig naamwoord de , Oude zeug (verouderd). Mogelijk is het woord een variant van merrie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
merrie , méér , roepnaam voor de merrie.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
merrie , mére , merrie.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
merrie , mere , merrie (vr. paard).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
merrie , meer , mèer, mère, mjèer, merrie , de , meren , (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe). Ook mèer (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), mère (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), mjèer (Zuidwest-Drenthe, noord), merrie (niet Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. merrie Het voel van onze mère hangt in de boom dit werd gedaan uit bijgeloof, opdat het veulen een mooie gang zou krijgen (Hgv) 2. merrieveulen (Zuidoost-Drents veengebied) 3. leerfiets (Zuidwest-Drenthe, zuid) 4. damesfiets (Zuidwest-Drenthe) Hier zegt ze wel as een man op een damesfiets komt: zo, mit de merrie? (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
merrie , mere , (Kampereiland, Kamperveen) merrie
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
merrie , mere , merrie.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
merrie , mere , marrie , zelfstandig naamwoord , de; merrie, vrouwelijk paard
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
merrie , meer , meere, mere , merrie; mere (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
merrie , meer , zelfstandig naamwoord , merrie (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
merrie , maer , (vrouwelijk) , maere , maerke , merrie , Eine hings(t) en ein maer. Ei maerevuuele: een merrie-veulen. Toen waas ’t maerke laam: toen was de boot aan. ‘Woea geis se haer.’ ‘Nao Kölle óm ein maer.’: dooddoener.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
merrie , mèrrie , zelfstandig naamwoord , WBD vrouwelijk paard, ook genoemd 'mirrie'; WBD fòkmèrrie', ' fòkmèèr' - fokmerrie; WBD mèèrvölle, mèrreveuleke - vrouwelijk jong van een paard; WBD völmèrrie - dragende merrie, ook genoemd 'vullemèèr'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
merrie , maer , merrie
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut