elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: menigte 

menigte , mennîgte , menigte; deur de mennîgte mout ’t komen = veel kleintjes maken één groote = door het talrijk bezoek moeten wij een bestaan hebben, zegt bv. de herbergier.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
menigte  , mennigte , menigte.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
menigte , mennigte , vrouwelijk , menigte
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
menigte , mienigte , zelfstandig naamwoord , Verouderd voor menigte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
menigte , mènnigte , zelfstandig naamwoord , menigte, heel veel. 1. D’n stòn bè d’n òptocht ’n hil mènnigte langs de wèg. Er stond een grote menigte langs de weg. 2. D’r hangt ’n mènnigte appel òn d’n bòòm. Er hangen heel veel appels aan de boom.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
menigte , minnigte , grote hoeveelheid, menigte.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
menigte , minnigte , menigte.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
menigte , mennigte , zelfstandig naamwoord , de; grote hoeveelheid, groot aantal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
menigte , mennigte , menigte
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
menigte , minnigte , menigte
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
menigte , mènnegt(e) , zelfstandig naamwoord , menigte, grote hoeveelheid; De Wijs – ik kôôp fleskes veur 5 cent en verkôôp ze veur 3 cent en verdien toch…. deur de mennigte (23-10-1963); WBD III.4.4:255 'menigte' = menigte, troep; dur de mènnegt; Biks mènnigte zelfstandig naamwoord  - menigte, heel veel; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MENNIG wordt hier, even gelijk op meer plaatsen, in de volkstaal gezegd voor 'menig'? z. a. Bont 'mennigte keer'; ANTW. MENIGTE, Kemp.: MENNIGTE bvw - menig, veel, Fr. maint, nombreux. Da' zal u menigte frangs kosten.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut