elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: men

men , menne , zie: mennen, en: mennîng.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
men , min , voor: men, onbepaald persoon voornaamwoord Zie ook: e 1, en: minne.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
men , me , men.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
men , men , onbepaald voornaamwoord , In het Westfries wordt ‘men’ zelden of nooit gebruikt en doorgaans vervangen door ‘ze’ of ‘je’. | Ze zègge, dat ie stolen het. Je moete roeie mit de rieme die je hewwe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
men , men , onbepaald voornaamwoord , men Men zeg dat het zo is, mor ij moet er niet te veul op doen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
men , menne , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = leidsel Ie mut oppassen dat hie de menne niet tussen de poten krig (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut