elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meegaan 

meegaan , mitgoan , medegaan; mien allozie (de klok, of: pendule) gait mit = mijn horloge gaat gelijk de torenklok, nl. op dit oogenblik.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
meegaan  , meigaon , medegaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
meegaan , metgaon , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. meegaan Woj even metgaon zou je even mee willen gaan (Sle), Met de tied metgaon (Nor) 2. instemmen Met de gedachte om een tochien te maken kon iederiene metgaon (Coe), Dat plan, daor kan ik wel ien mitgaon (Wsv), Ie kunt overal wal in metgaon, mor het mot ies een keer oflopen wezen, aans nimt ze een loopien met je (Hijk) 3. bruikbaar blijven Dat spul geeit jaoren met (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
meegaan , mitgaon , werkwoord , meegaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
meegaan , metgaon , meegaan , (werkwoord) , meegaan.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
meegaan , meejgòn , zie voor vervoeging gòn , Heej, gòdde meej? Hé, ga je mee?, Hèij góng mee meej. Hij ging meteen mee.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
meegaan , [meegaan ] , mètgaon , meegaan , Blindj mètgaon: onvoorwaardelijk steunen; ook kaartterm. Mètgaondj zeen: meegaand zijn.: meegaand zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut