elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: marmer

marmer , malber , marmer.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
marmer , marmer , het , marmer Het liekt wal marmer, maor het is het niet (Wes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
marmer , mölmer , 1) marmer; 2) knikker; 3) bolletje brood, ± 5 cm doorsnee. mv. mölmers.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
marmer , märmer , (zelfstandig naamwoord) , marmer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
marmer , mölmer , zelfstandig naamwoord , knikker (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut