elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mantel 

mantel , mantel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Op een schip. Zekere dikke touwen, tot het hijsen van zware vrachten bij het laden en lossen. De mantels zitten met de lopers van boven aan de mast en van onder aan het scheepsboord. In Friesl. heten ze gezamenlijk het want.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mantel  , mantel , mantels , mentelke , mantel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
mantel , maontele , vrouwelijk , meanteltien , mantel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mantel , mantel , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze heur mantel sloit meer as heur stoel, gezegd van een zeer uithuizige vrouw.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mantel , mantel , maantel , de , mantels , Ook maantel (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. mantel Vrouwen hebt een maantel, kerels hebt jassen an (Hol), Ik heb een neie loden mantel (Eke), Iene de mantel oetvegen (Dal), ...uutstoffen (Hgv), ...oetstubben (Gas), Under de mantel zitten ziek zijn. De zieke kreeg, als hij even opstond een mantel om voor de kou (ov), Wat under de maantel hebben zwanger zijn (Gas) 2. mantel van een kachel Der zat een mooie mantel um die kachel (Ros) 3. schoorsteenmantel (Zuidwest-Drenthe, noord) Leg dat maor even op de (schörstien)maantel (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mantel , maantel , (Gunninks woordenlijst van 1908) mantel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mantel , muntel , zelfstandig naamwoord , halster (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
mantel , mantjel , (mannelijk) , mantjels , mentjelke , mantel , Moder ging inne noewe mantjel nao de kirk.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mantel , maantel , zelfstandig naamwoord , mantel; Toen viet et uit z'ne maantelplooi; 'n fluit en sloeg aon 't fluiten; (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Mijn deuntje’, 1939); De Wijs – (interessant mode-praatje) – Mee dieje maantel heb ik ginnen aord, die doe’k zo nooi aon, ’t stao wel vlug as ge hard lopt en ik vein’t wel schôôn mar ik vein’t nie zo leuk (09-07-1967); Cees Robben – ‘k Heb ginne aord meej deeze maantel.. (19680119); WBD III.1.3:40 'manteltje' = jasje v.h. mantelpak; WBD III.1.3:36 'kraagmantel' = kraagmantel; WBD III.1.3:35 'mantel', 'damesmantel' = damesmantel; WBD III.1.3:71 'mantelpakje' = mantelpak
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut