elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: maneschijn 

maneschijn , [licht van de maan] , maoneschienweer , avond bij helderen maneschijn; Gron. moanschienweer.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
maneschijn  , maoneschien , maanenschijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
maneschijn , maonschien , maoneschien , de , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook maoneschien (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = maneschijn Het glimt as een vertinde hondekeutel in de maon(e)schien (Sle), Het is door ok niet allemaol rozegeur en maoneschien (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
maneschijn , maoneskien , maneschijn
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
maneschijn , maoneschien , zelfstandig naamwoord , de; maneschijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
maneschijn , maoneskien , (zelfstandig naamwoord) , maneschijn.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
maneschijn , maonesking , zelfstandig naamwoord , maneschijn (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
maneschijn , [maneschijn] , maonesjien , (mannelijk) , maneschijn
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
maneschijn , maoneschie~n , maneschijn
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut