elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: maling

maling , maling , verwarring. , Hij is in de - . dat is: in de war. Zoo ook malen voor lastig zijn, berispend spreken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
maling , moalîng , (Goorecht), voor: oorveeg, klap om de ooren; hij gaf hōm ʼn guie moaling.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
maling , malie , malie hebben aan wat, zich ergens niets van aantrekken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
maling , määlinge , [mǣlǝgǝ] , maling
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
maling , maling , de , Alleen in de alg. gebruikelijke uitdrukkingen Zie hebt hum in de maling nummen voor de gek gehouden (Oos), en Daor heb ik maling an wat ze daor zegd hebben het laat mij koud (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
maling , maeling , zelfstandig naamwoord , de; maling
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut