elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: maken

maken , maken , van een zieke zegt men: hi maakt et nich. Hij komt er niet weder bovenop. Hij gaat er mêe.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
maken , maken , afmaken, ofmaoken , wegnemen, afnemen; de eerpels maken= de aardappelen rooden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
maken , meuk , muek , maakte; do meukste mij neet wiezer = gij maaktet mij niet wijzer. Gron, mouk; muik.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
maken , moaken , voor: gereed maken; kōffie moaken, kōffie kloar moaken = koffie zetten, waaronder eigenlijk ook begrepen wordt het koken van water en het malen van koffieboonen; steeds: thee kloar moaken = thee zetten; ʼn brug (brōgge, of: botram) moaken = boter op een sneetje brood, enz. smeren; zet ʼt moar nijt op, moak mie moar ʼn brug, zooveel als: krijg de boel maar niet op tafel, dat is te veel moeite. ik ken dei som nijt moaken (= nijt doun) = ik kan dat voorstel niet oplossen; doomnie het ʼt mooi moakt = onze predikant heeft mooi gesproken (vooral wanneer hij op het gevoel heeft gewerkt); ʼk zel ʼt wel mit die moaken = ik zal het later wel met u vereffenen; dat ken wie loater wel moaken; ʼk heb vōt gijn klijngeld; ʼtʼr noa moaken = verdiende straf oploopen; (v. Dale: het er naar maken = belooning of straf verdienen). Spreekwoord: De mensen maggen mie nijt lieden, moar ik moak tʼr ook noa, zee Oelenspijgel (Uilenspiegel.) – = herstellen; de schounen bin hen ʼt moaken = - worden moakt = zijn bij den schoenmaker om hersteld te worden; de bōksen mout moakt worʼn, enz.; eveneens van meubelen en werktuigen; ook Oostfriesch, Drentsch toemaken. – = bestaan vinden, uit trekken; hij ken ʼtʼr nijt moaken= (de boer) kan de pacht niet van de boerderij overhouden, hij heeft er geen bestaan, gaat achteruit; hij het van ʼt joar doezend gulden oet ʼt koolzoad moakt = heeft voor duizend gulden raapzaad verkocht; hij moakt ʼn bult geld oet zien toen; boeren moaken gijn geld, ʼt zoad geldt jà niks (1895); op dei bouldag is veul geld moakt. West-Vlaamsch geld maken = iets verkoopen om geld te hebben. Ik moet beginnen geld maken om mijnen pacht te betalen. (De Bo). Voorts: hij moakt mie niks = hij kan mij geen kwaad doen; (zie ook: burgemeester); hij ken hōm wel moaken en breken, zegt men van twee vechtenden, waarvan de eene veel grooter en sterker is dan de andere. Vervoeging: mouk, of: muik; moakt.– Zie: bermoaken, en vgl. toumoaken; mouk, muik = maakte, onvoltooid verleden tijd, 1e en 3e persoon enkelvoud van: maken. Eveneens in dien tijd, enz. ou of ui, voor a of oe, in: raken, jagen, dragen, vragen, klagen, plagen en halen, met hunne samenstellingen; mouken, moakten = maakten; zij mouken dat ze wegkwammen = zij pakken zich weg; moek (Grijpskerk, Niezijl, enz.) = maakte; zoo: smoek = smaakte; roek = raakte; kloeg = klaagde.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
maken , maken , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – Ook afpassen (bij het teruggeven van geld), in de uitdr. het kunnen maken. || Ken-je ’et wel maken? Ik ken ’et niet maken, ik heb gien enkele losse cent. – Zie zegsw. op aanslag, BINK op binkas, klopper en matschudding en vgl. toemaken en nieuwmaak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
maken , moaken* , zie ook bermoaken * en toumoaken *; in de beteekenis van verdienen, overhouden (bldz. 266 II) wordt er dikwijls een bepaalde som bij opgegeven: hij het van ’t joar dreidoezend gulden moakt; ’t kan ook afrekenen, vereffenen, beteekenen: ’k zel ’t wel met hōm moaken (eigenlijk: in orde maken), waarvoor ook: oet de weeg moaken.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
maken , moaken* , (ook bldz. 41), vgl. gemoak *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
maken , make , maak, maks, mak, makde, gemak , maken. Maak dich niks in de bôks, maak je niet druk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
maken , maakng , werkwoord, zwak , maken. Terechte maakng, toebereiden; wat maakng iej non?, wat doe je nu?; wat te doone maakng, last bezorgen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
maken , maoke , gemakt , Ik zal ’t goêd maoke Ik zal je goed netjes behandelen; Wa makte me nou toch klaor! Wat heb je nu weer uitgespookt?; Dè kunde toch nie maoke! Dat kun je toch niet maken!; gemakt geslaagd D’n dieje hét ’t gemakt in zien léve Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
maken , make , werkwoord , in de zegswijze maak ’t nou! Kom nou, dat meen je toch niet, dat doe je toch niet! – Wul je ’t ’n beetje máke! doe niet zo gek, overdrijf niet zo, houd je fatsoen. | Wul je ’t ’n beetje make mit de worst, vier plakkies is genog, ’oor! – Ze make mekaar niks, ze ontlopen elkaar niets. – Ik maak me sterk, dat …, ik heb het sterke vermoeden, dat … | Ik maak me sterk, dat Piet er van of wist. – Ze make mekaar tien jaar, ze schelen elkaar (in leeftijd) tien jaar. –Die zel ’t niet lang meer make, die zal wel spoedig sterven. Zel je ’t niet te lang make, zul je niet te lang wegblijven. – ’t Niet make kenne, niet met gepast geld kunnen betalen. Voltooid deelwoord maakt, in de zegswijze maakt en dein, kant en klaar. Letterlijk gemaakt en gedaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
maken , maoke , werkwoord , maken. 1. Dè kunde nie maoke. Dat kun je niet doen. 2. Dè mokt niks. Dat maakt geen verschil. 3. Mokt dègge klaor stot. Zorg dat je klaar staat.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
maken , maken , maoken, maeken , sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook maoken (Noord-Drenthe), maeken (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. maken Wij hebben der een mooie dag van maakt (Coe), Kou het een mooi jaor mokt mooie uier ontwikkeld (Eev), Hij hef der niet veule van emèuken terechtgebracht (Smi), Hij zal het niet lang meer maken (Sle), Zie kunt hum wal maken en brèken (Koe), Die man hef golden handen, die kan alles maoken (Ass), Hij mak graag een prootien (Bro), Dat kuj niet maken doen (Emm), Wij mussen dat stuk vene nog vlak maken (Schn), Wij hebt een ofspraok maokt (Dro), Ik maeke mij daor zo hels over! (Dwi), Ik zal het wark daon maken afmaken (Eli), Met die wil ik niks te maken hebben (Geb), Het maokt niks, woor aj langes gaon geeft niet (Vri), Wij moet het beste der mor van maoken (Wtv), Törf in de schuur maken (Bov), Ik wus wal dat hij der niks van maakt niet van terecht brengt (Sle), Erpel der under maken bedekken (Erm) 2. regelen Ik zal het wel met je maken (Hijk) 3. herstellen Smid, kuj dat vandaag nog even maken (Hoh), Sloten maken onderhouden (Oos) 4. zorgen Ik mut maken da’k weg kome (Flu) 5. zoeken Jonges, woj daor wal ies weggaon, ij hebt daor niks te maken (Zwe) 7. vermaken (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef hum de boerderij maokt (Ballo) 8. afspreken Wij hebt het zo mit mekaer emèuken datte wij op donderdag koomt (Dwi) 9. verdienen Wij maokt van het jaor niks oet de erpel verdienen er niets aan (Eke) 10. aanleggen, te werk gaan Hoe zal ik dat non maken dat ik daor een jurk oet krieg (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
maken , máoken , (maok, makt, gemakt) maken, repareren. zo ge’t makt zo heddet, zoals je het maakt, zo heb je het ook.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
maken , maken , maken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
maken , maekn , maken Zie maek oe niks, wèès mâr niet bange.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
maken , maeken , werkwoord , 1. scheppen, maken, aanleggen, in een bep. toestand brengen enz. 2. bereiden 3. repareren 4. schetsen, schilderen (in woorden) 5. afspreken, samen regelen 6. aanleggen, het erop toeleggen 7. verdienen, als opbrengst verkrijgen 8. doen plaatshebben, verrichten, als resultaat verkrijgen 9. ongewild ondergaan (van een beweging) 10. doorwerken gedurende een bep. tijdseenheid of veel langer dan de genoemde eenheid 11. veroorzaken 12. doen zijn dat iets zo is, dat iets voldoet aan de eisen, aan het verwachtingspatroon 13. van belang zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
maken , maoke , maken, repareren, stoppen , Ge kunt bèèter van 'n boerin 'n juffrouw maoke és van 'n juffrouw 'n boerin. Je kan beter van een boerin een juffrouw maken als van een juffrouw een boerin. Een goede boerin moet in een boerengezin zijn grootgebracht.
Un koej alliin môkt nog gin kallef. Een koe alleen maakt nog geen kalf. Sommige dingen moet je samen doen.
Ge héd 'n hil gat in'new sokke, dé's de moejte nie mér um die nog te maoke. Je hebt een groot gat in je sokken, het is de moeite niet meer om die nog te stoppen.
Dé's nen héndege mèns die môkt nouw lètterlek alles, zó gék kun'det nie bedènke. Dat is een handige man die repareert letterlijk alles, zo gek kun je het niet bedenken.
Voltooid deelwoord gemôkt. Ge zul'let nie gléúve, mér ik héb dé zéllef gemôkt, dé gléúf'de gi wir nie zeeker? Je zal het niet geloven, maar ik heb dat zelf gemaakt, dat geloof je weer niet zeker?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
maken , maake , repareren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
maken , maken , (werkwoord) , maken, emaakt , maken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
maken , maoke , mokt , maken , ze was naojster en mokte jil veul mesiesterse broeke = ze was naaister en maakte veel ribfluwelen broeken- ; -; -aanmanen,
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
maken , mâke , makt, gemakt , maken , Hoe makt ’t? Hoe maak je het? Hoe gaat het met je?, Dè hédde moj gemakt, jónge. Dat heb je mooi gemaakt, jongen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
maken , make , maaktj, maakdje, gemaaktj , 1. maken 2. zich make = groeien, gedijen , Dae haet mich gisteraovendj get gemaaktj! Dao höbs se niks mèt te make, det maak ich oet. Doe höbs ’t ouch t’r haer gemaaktj! Doe mós geine gek van Sintermerte make. Emes de pis/zeik law make. Get van ziene jan make: opscheppen. Hae maaktj zich nörges get oet: het maakt hem allemaal niks uit. Ich weit ’t good emaaktj: doe kóns ’t kriege vuuer € 100,-. Laot dich neet gek make. Maak dich eweg! Maak dich mer geinen dikke!: meen je maar niks. Stökker make: brokken maken, ongelukken veroorzaken. Waat höbs se mich noe gemaaktj? Wae zulle noe mer gedaon make: wij zullen nu maar ophouden. Wie maakdje d’r det ouch al weer?: hoe zei hij dat precies? Ze make ós niks: ze kunnen ons niet in de problemen brengen. Zich ónger de veut oet make.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
maken , maoke , zwak werkwoord , maoke - mòkte - gemòkt , maken; - met vocaalkrimping; - Ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mòkt; Henk van Rijen - maok et naa èfkes - toe nou!; Hij mòkt er nie veul van. - Hij brengt er niet veel van terecht. MP gez. Zó get mòkt, zó hèddet. WBD ònzèt maoke - de eerste voor ploegen (Hasselt); Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – 'ruziemokster'; Cees Robben – Ik maoket zellef niemir meej... (19600916); Cees Robben – Mèn mesien maoket gelèèk, mevrouw (19850510); Piet van Beers – ‘Karnavalslezing 2004’: Mokt dègge 't goed mòkt./ Mòkt dègge' t goed stelt./ Mòkt dègge goed zèèt vur oe èège (‘t Èlfde buukske, 2010); Dialectenquête 1876 - mok de gloaze is vol - vul de glazen; DANB die deur is van beukenhout 'gemakt'; dè maoke ze meej den dôojer v.e. aa; WBD III.4.4:318 'maken' = repareren; Biks maoke ww - maken; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - maoke (bl.17); gemòkt; van 'maoke'; gemaakt; Hij heeget schôon gemòkt èn zij heeget schóngemòkt. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEMAAKT bvw - door de kunst verveerdigd of nagemaakt, Fr. artificiel. Gemaakte bloemen, gemaakte vogels; mòkt; maakt; - 2e + 3e pers.enk.tegenwoordige tijd van 'maoke', met vocaalkrimping; Mòkt dègget goed mòkt. - Zorg dat je het goed maakt. Cees Robben - Zó ge ze mòkt, zôo hèdde ze; en aaw moonika mòkt ôok meziek; Cees Robben - mòkt gin óngelukke; Henk van Rijen - hij mòkt er nie veul van - hij brengt er niet veel van terecht; DANB de mèlkboer mòkte ne (sic) grôote (sic) toer
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
maken , make , mákde – gemák , maken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut