elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: macht 

macht , macht , in: de mijste, of: mijnste macht ( = de mijsten, mijnsten) = het grootste deel van ’t volk, de meerderheid; de mijste macht wil ’t wel looven (of: leuven) = de meeste menschen slaan er geloof aan. Zie ook: onmacht, en: mans.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
macht  , mach , macht.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
macht , mach , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , machn , macht. Ne mach, een heleboel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
macht , macht , zelfstandig naamwoord de , Ook: menigte, massa. | D’r was ’n macht volk op de kermis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
macht , maacht , zelfstandig naamwoord , kracht, grote hoeveelheid. 1. Dè go boove m’n maacht. 2. Bè d’n Toer de Loo waar d’r altèd ’ne maacht volk òp de bêên.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
macht , macht , de , machten , 1. macht Hij wil mit alle macht winnen (Wsv), Hie leup oet alle macht (Bui), Dat waark gait hom boven de macht hij kan het niet aan (Rod), De mensen met geld hebt de macht (Zwig), Wij hebt het wark in de macht kunnen het wel aan (Sle), Aw met man en macht anpakt, is het zo gebeurd (Sle) 2. (lichaams)kracht Ik heb gien macht genog in de aarms um dat ding op te tillen (Bal), Dat giet mij boven de macht (Bor), Boven macht waarken is stoer waark (Eev) 3. invloed De macht van de gewoonte (Smi) 4. grote hoeveelheid Der was een macht volk an het wark (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
macht , macht , macht. Een macht ‘veel’, bijv. een macht volk ‘veel mensen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
macht , mach , macht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
macht , macht , gien macht hebben, geen kracht hebben (W.-Veluwe); utermacht, uit alle macht (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
macht , maacht , zelfstandig naamwoord , kracht, grote hoeveelheid (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
macht , maagt , zelfstandig naamwoord , macht; grote hoeveelheid; MP gez. Òn et dörp de praacht, mar hier de maacht. (gez. van Goirkenaren: het geld was op 't Goirke te vinden.); Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – en hil maacht stroojbiljette; Henk van Rijen - “der laage ne maacht kastannies” - veel; WBD III.1.2:183 'macht' = lichaamskracht; WBD III.4.4:260 'macht' = grote hoeveelheid; Bont zelfstandig naamwoord vr. en m. - macht: vr. (fysieke) kracht, m. grote hoeveelheid; Biks maacht zelfstandig naamwoord  - kracht, grote hoeveelheid; WNT MACHT - 13) groote hoeveelheid, menigte
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut