elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: maart 

maart , Meert , (mannelijk) , Maart; Meert rö̂rt zîn steert, Maart roert zijn staart.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
maart , Meert , Maart; in Meertmoand = in Maart; wie hebben Meertmoand = wij zijn (nog) in de maand Maart. Spreekwoord: Meert ruirt zien steert = Maart roert zijn staart. – Meert dreug, Mai nat, Geft veul hooi en zoad zat (Ommelanden) = droge Maart en veel regen in Mei geeft veel hooi en overvloed van graan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
maart , meert , maart.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
maart  , miërt , maart.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
maart , meert , maart
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
maart , meart , Maart
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
maart , maartje , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze kom ik deur ’t maartje, dan leef ik weer ’n jaartje, wie als bejaarde de grillige maand maart overleeft, kan het als het ware weer een jaar volhouden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
maart , mért , maart.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
maart , meert , maart.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
maart , meert , mèert, mjeert, maart , de , Ook mèert (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), mjeert (Zuidwest-Drenthe, noord), maart (gemeente Oos) = maart Hie schruwt as een kat in mèert (Emm), Katten in meert en vrouwlu in mei (Ros), In mèert wuur het tuug bliekt (Sle), Mèert biddag en november dankdag, ook als één woord geschreven (Sle) *Een dreuge meert en een nat april is de boer zien (wens en) wil (Sle),...dan döt de boer wat hij wil (Zwin); Een dreuge meert is geld weerd (Sti), ...as april maor natten wil (Zdw); Het gras wat er in meert is, heurt je nog niet (Anl); In meert moet alles van de heerd, ...de staoven van de heerd is het schoonmaaktijd (Dwij); Wat meert neit wil, dat döt april (Vri); Dai Waalse bonen wil eten, mout meert nait vergeten (Vtm); Meert reurt zien steert (Bor); As in meert de voor stof, zeg de garf van plof dan krijg je een goede oogst (Dro); Dei zuk waort veur meertzunne en oppaast veur aprilwind, blif het huile jaor een wit kind (Eco), ook ...de hele zomer... (Eri); De kievit legt in meert, al vrus het ok op zien steert (Hijk); Paosen in de meert is het hiele jaor verkeerd (Ker); In meert, alle katers beert (Nsch); Laot meert maor haolen en april maor straolen en as mei van beide doet, wordt het hiel wal goed (Odo); Spiensters in mèert bint geld wèerd (Sle); Meert moet negen zomerse dagen brengen (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
maart , mèrt , maart.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
maart , meert , maart
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
maart , meert , maart.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
maart , mért , maart , Mért ruurt zun'ne stért is 't sprèèkwóórd, ge zé dus lang nie zó zeeker van't wiir. Maart roert zijn staart is het spreekwoord, je bent dus lang niet zeker van het weer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
maart , meert , maart , zelfstandig naamwoord , de; maart
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
maart , maert , zelfstandig naamwoord , (de maand) maart; Bij d’n eersten donderslag in maert slaot de zallem messun staert Bij de eerste donderslag in maart slaat de zalm met zijn staart (de lente is in aantocht); D’n eersten donderslag in maert pak d’n elleft bij z’n staert De lente is in aantocht (te zien aan het verschijnen van de elft (soort haring) in de grote rivieren); Een drôôge maert is goud waerd Een droge maand maart levert vaak een goede oogst op
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
maart , mèrt , maart
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
maart , meert , (zelfstandig naamwoord) , maart.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
maart , meert , maart; meertig, meerts, krols.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
maart , mieërt , (mannelijk) , maart , Mieërtse buje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
maart , mèrt , mèèrt , zelfstandig naamwoord, eigennaam , de maand maart; Frans Verbunt -  ene dreuge mèrt is gèld wérd, ast in april mar rèègene wil; Stadsnieuws -  Ene drêûge mèrt is gèld wèrt, ast in april mar rèègene wil (300308); WNT MAART, meert; Haor mèrt - maart of markt; mèèrt; maart; DANB 'mèrt' ist nòg te kaaw om te katsele - In maart is het nog te koud om te kaatsen. Dirk Boutkan (1996) - (blz. 22) maart; Bont märt, zelfstandig naamwoord m. — maart; Antw. - MÈÈRT - maart, Fr.mars; WNT MAART, meert
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
maart , márt , maart
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut