elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: maand 

maand , maond , (vrouwelijk) , maonde , maand.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
maand , moand , Wordt gewoonlijk achter de meeste namen der maanden gevoegd; zie: Maimoand. – Met een bepalend telwoord steeds in ʼt enkelvoud: ʼt Kind is elf moand; zij het vijr moand zijk west; ik betoal mien köstgeld om de drei moand; hij het in twei moand tieds gijn cent verdijnd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
maand , maand , meend , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meerv. maande, soms ook maante. Zie de wdbb. – De oude vorm meend wordt zelden meer gehoord. || Hij is al drie maante ziek. – Zegsw. Om de maand lopen, alle maanden bij bepaalde personen een gift komen halen; van armen, vooral arme weduwen. Vandaar maandloper, maandloopster. || Ouwe Trijn loopt bij me om de maand. Ik heb ’en paar arme weeuwen, die om de maand lopen. Ze wil gien maandloopsters hebben.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
maand , moand , zie: dag .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
maand  , maond , maand.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
maand , maond , vrouwelijk , maonden , maand. Drei maond: drie maanden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
maand , moand , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , moand , maand
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
maand , mónd , maond , v , (o-klank als in klok) maand; fleje mónd vorige maand.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
maand , möandtie , maandje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
maand , maond , de , maonden , maand December is een dure maond (Gas), Hij hef hum bij de maond besteed per maand (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
maand , mònd , maand.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
maand , maond , maand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
maand , maond , meuntien , maand. Nog ’n paer meunties en dan is ’t jaor al weer umme.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
maand , mônd , maand , In dees mônd moet'ter nog veul gebéúre, want dan moet 't nuuw hûis klaor zén. In deze maand moet er nog veel gebeuren, want dan moet het nieuwe huis af zijn.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
maand , maond , zelfstandig naamwoord , de; maand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
maand , mônd , monde , maand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
maand , per mônd , per maand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
maand , maond , (zelfstandig naamwoord) , mööntien , maand.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
maand , mònd , maand, maanden
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
maand , maondj , (mannelijk) , maon(d)je , mäöndje , maand , Dao zeen maon(d)je en maon(d)je uueverhaer gegange. In al die maon(d)je höb ich niks van dich gehuuerdj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
maand , mònd , mòndje , zelfstandig naamwoord , mòndje , maand; oover drie mònde - over drie maanden; WBD III.2.2:4 'maand' of 'maandstond' = menstruatie; Cees Robben – En na is ’t list van de maond... en na hek toch de maond wir... (19829716); mòndje; maandje; verkleinde vorm van 'mònd' (of van 'maond'; met vocaalkrimping?)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
maand , mand , mand , maand
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut