elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lusten 

lusten , lussen , en met verzachting des s, luzzen (Hoogeland) voor: lusten, zooals het ook meest wordt uitgesproken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lusten  , löste , lusten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lusten , lusten , [løsǝn] , zwak werkwoord , lusten. Dät lust mi neit: dat lust ik niet. ook: Dät mag ik neit: zie: müüegen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lusten , lusse , lusten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lusten , luste , werkwoord , in de zegswijze wie me zô niet lust, het gien honger, wie me niet neemt zoals ik ben, heeft me kennelijk niet nodig, toont geen oprechte genegenheid voor me. – Zô lus je d’r nag wel ien, jij hebt gemakkelijk praten, op die manier kan ik het ook. Voltooid deelwoord lusten. | Ik hew dat spul nooit lusten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lusten , lussen , lussen, elust , lusten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lusten , lussen , lusten , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook lusten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. lusten Aj hier eet, moej alles lussen, aans kriej het mörgen weer (Eex), Een glaasie bier? Nou ik lusse der wel soep van (Hgv), Hij zal der van lusten! er van langs krijgen (Row), 2. (onpers.) lusten, smaken (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) Mij lust graog een plakkie koek (Ass), Het lust mij lekker en het smak mij graag (Ruw), Dat zul mij wel lusten smaken (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lusten , [blieven] , lussen , lusten. (lus, gelussen) iets lusten. zullie lussen dè nie, zij lusten dat niet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lusten , lussen , lusten. IJ lust van ’t ele värken ‘hij is nergens vies van’, A-j ’t niet lussen, dan zet ie ’t maar zes voet van oe, dan springt ’t oe niet veur (of: tegen) de kòp ‘als je iets niet lust, geen bezwaar, dan zet je het maar een e
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lusten , lussn , lusten. ’n Goed glaesien wien zul iej zeker wel lussn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
lusten , lusse , lusten , Ge kunt 't iin of ander nie lusse, mér 'r moet óp z'n tiid wél gegeete worre. Je kan het een of ander niet lusten, maar er moet op z'n tijd wel gegeten worden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lusten , lusse , werkwoord , lus, lussende, gelusse , lusten Lussie d’r nog êêntjie? Lust je nog een borreltje? Hij lussende d’r nog wel meer Hij lustte er nog wel meer; Hij lus’ van ’t hêêle verreke Hij pakt elke handel aan; hij lust alles
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lusten , lusse , lusten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lusten , lussen , (werkwoord) , lussen, elust , lusten. Dät lus ie toch ook wel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lusten , lusse , lusten , hij lus niks = hij lust niets-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lusten , lusse , lusten, houden van , Hèij lust ’m gèèr. Hij drinkt stevig. , Dè w’m nog lang mâge hébbe, lusse zalle w’m wùl. Dat we hem nog lang mogen hebben, lusten zullen we hem wel. Gezegde bij het proosten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lusten , löste , löstj, lösdje, gelöstj , lusten , Dae lösdje ’m gaer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lusten , lusse , zwak werkwoord , lusse - luste - gelust , lusten; Ik lus van hilt vèèreke. - Ik lust alles. Cees Robben: mene maot lust oe gruun; den hónd zótter nòg gin brôod van lusse; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  em wèl lussen as ie nòr kooper smòkt (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1969) - graag op een borrel getracteerd worden (koper duidt op geld); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  sinte Peetrus weende bitter, zi de zatte Piet, dan zal ie ók wèl klaore gelust hèbbe (Daamen, Handschrift 1916); Henk van Rijen - dietem nòg gèère lusse - die geen borrel afslaan; Cees Robben: 'lustte snevel?'; A.P. de Bont – zw.ww.tr. - lusten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut