elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loel

loel , loel , luul , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast ook luul. In de uitdr. ouwe loel (luul) voor oud man. || Kom, ouwe loel, gaan jij maar mit ons mee. Zo’n ouwe luul. – Vgl. Ned. lul, dat ook zeur, kletskous beduidt, en lullen, kletsen. Mnl. loelen, schertsen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
loel , loel , Ouwe loel, vervelende vent, kletst veel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
loel , loel , zelfstandig naamwoord , loele , loellechie , [O] 1. zeurderig persoon Hé ouwe loel, hoe gaottut ermee? Hé ouwe zeurpiet, hoe gaat het er mee? 2. liefkozende benaming Lekkere loel vamme Lekker dier van me
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut