elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luiwagen 

luiwagen , luiwoagentje , (Hoogeland) = witter. Aldus om de overeenkomst met een luiwagen; de steel is kort en er schuin aan bevestigd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
luiwagen  , luiwage , schrobber, ook spin met lange pooten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
luiwagen , luiwage , zelfstandig naamwoord , borstel op een lange steel om de spinnewebben mee te *hoeke (= uit hoeken verwijderen) (KRS: Lang) In de Vechtstreek een ‘borstel, zachte schuier aan een lange steel, voor ’t schoonhouden van marmeren vloeren, enz.’ (Van Veen 1989, p. 87).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
luiwagen , luiwaegen , zelfstandig naamwoord , de; luiwagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
luiwagen , luiwaage , zelfstandig naamwoord , harde bezem (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
luiwagen , luiwaoge , zelfstandig naamwoord , luiwagen; WBD (III.2.1:300) luiwaoge = schrobbezem, ook: bezem
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut