elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luiden

luiden , luden , luden = luiden; ook Gron. ludde = luidde
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
luiden , luden , luiden, luien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
luiden , luje , luiden van een klok.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
luiden , lüên , [lǖeñ] , ludde, elut , luiden (van de klok)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
luiden , luiden , de bel heb geloje, de fluit heb gefloje (fabrieksmeisjes die elkaar tot haast manen).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
luiden , luun , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lot, verleden tijd: luun, verleden deelwoord: , luiden. Dr oet luun, de goede naam verspelen; wat huern luun, met neet weetn woer’t de klokke haank, de klok hebben horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
luiden , geluîd , ’t Hét geluîd Het (de kerkklok) heeft geluid; dit betekent dat de klok (om … uur) geluid heeft wat aangeeft dat er iemand is overleden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
luiden , lèùje , luiden; mèèrege lèùje, angelus luiden in de ochtend; ’t löjt angeles, middich lèùje, angelus luiden rond het middaguur; zóndech lèùje, luiden van de klokken op zaterdagavond na het angelus.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
luiden , luun , luun, elune (eluud) , luiden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
luiden , luun , luden , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook luden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = luiden Bij braand gungen ze vrogger de klokke luden, ook wel bij een verkoping of boolgood (Die), Ze luudt wie wordt er begraven? (Noo), ’s Aovends um negen ure worde de klokke op het gemientehuus eluud, dat was de breibengel want dan gungen de meinsen brij eten en dan was het beddegaonstied (Hgv) *Hij hef een klokkie heuren luden, maor hij wet niet waor de klepel hangt (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
luiden , lúijen , luiden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
luiden , luden , lûûn , luiden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lûûn
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
luiden , luun , luiden. Zie mossn tweemaol daes de klokke luun.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
luiden , lûije , luiden , Bónne moet’te nie dieper zètte és dés’se de klok hurre lûije. Bonen moet je niet dieper zetten als dat ze de klok horen luiden. Bonen moet je heel ondiep zetten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
luiden , luden , werkwoord , 1. luiden 2. van een bep. inhoud zijn: van een bep. bericht, verhaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
luiden , luie , uitdrukking , Hij ken messun kaoke wel dertien uure luie Hij is een zeer mager persoon
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
luiden , lúíje , luiden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
luiden , lujen , luden , (werkwoord) , lujen, eluujd , luiden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
luiden , lùjje , luiden
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
luiden , luije , zwak werkwoord , luije - luidde - geluid , luiden; MP gez. Ge kunt nie de klòk luije èn meej de persessie meegaon. Cees Robben – [Werkster tegen ongeduldige vrouw:] Ik kan na immel nie luien en meepesaant den tooren nog vasthaauwe ôôk... (19821015); Cees Robben – Ik kan nie tegelèèk luije en aachter ’t lèèk aon... (19810227)DANB de köster lèùjt vur de precèssie; B luije - luidde - geluid; WBD (III.3.3:86) luije = luiden; 93 luije = beieren (met meerdere klokken tegelijk luiden); A.P. de Bont – lö.je(n) zw.ww.intr. en tr. - luiden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
luiden , luje , luujde – geluujd , luiden (grote klok)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut