elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luchtje 

luchtje  , luchje , luchtje. Dao is ein luchje aan, daar hapert iets aan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
luchtje , luchien , 1. geurtje. 2. buitje aan de lucht.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
luchtje , lochien , luchien , het , lochies , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe). Ook luchien (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe), zie ook lucht, licht II = 1. luchtje Daor zit ok een lochien an die zaak deugt niet (Sle) 2. in um een het lochien gaon kapot gaan (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Der is mij een peerd um een luchien gaon gestorven (Pdh), Het hiele zaakie is um het luchie gaon mislukt (Klv), Daor gunk het hiele theeblad mit koppies um een lochie naar de barrebiesjes (Hgv), As de heile oogst om een lochie gait ... (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
luchtje , lochien , zelfstandig naamwoord , et 1. luchtje, geur 2. reukwater, odeur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut