elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luchten 

luchten , lüchten , (zwak werkwoord) , luchten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
luchten , luchten , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – Ook van kinderen bij warm weer, vóór het naar bed gaan. In het nachtkoel lopen. || Magge we nag wet (wat) luchten, moeder, azze we uit’ekleed benne. – Zie lochten en vgl. opluchten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
luchten , lochten , (zwak werkwoord, intransitief) , Bossen droog riet branden, om daarmee iets snel te drogen of heet te maken. Synon. lochteren. || Nogh sal hem niemant … vervorderen te vieren, logten ofte eenigh vier te stoocken dan door een bequame vijster (vuister) ofte schoorsteen, Hs. keur (a° 1687), vernieuwd a° 1732), archief v. Krommenie. – Zo ook elders in N.-Holl. || “1717 den 23 Augustus des morgens … verbrande ... een Boeren-huys, het door lochten van een kind of jong Meysjen is bygekomen”, Chron. v. Medembl. 370. “1720 Den 18 July … ontstond tot Oost Zanen een groote brandt … het welk door lochten of riet branden in een Bleekers Wasch-huys is veroorsaakt”, ald. 373. – Evenzo verstaat men in Gron. onder luchten het branden van takkenbossen, terwijl het vuur zelf luchter heet (MOLEMA 251a).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
luchten  , luchte , in de kamer de lucht ververschen. Ik kan um neet zeen of luchte, ik kan hem niet uitstaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
luchten , luchte , lochte , werkwoord , Ook: ruiken. | Wat lucht dat lekker, ’t Lucht hier van petrum. Zegswijze hai lucht al stront, vóór ie sketen het, hij maakt zich al zorgen, vóór daar aanleiding toe bestaat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
luchten , leuchte , nie kanne leuchte, sterk gevoel van afkeer tegen iemand hebben, haatgevoelens voor iemand hebben; ik kan ’m nie leuchte òf zie: “ik kan hem niet luchten of zien”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
luchten , luchen , luchten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
luchten , luchten , lochten , onbepaald werkwoord , Ook lochten (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. luchten Ze hadden zo erookt, wij mussen de kaemer luchten (Vle), Het is no mooi weer um de boel even te luchten (Pdh), Dat pak rök naor rook, ie mut het even lochten (Zdw) 2. uitstaan Ik kan die vent niet luchten of zien (Nije), ..lochten noch zien (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
luchten , luchten , 1. ventileren; 2. verdragen. Gunninks woordenlijst van 1908: Iemaand niet luchten òf zien magen ‘iemand niet kunnen uitstaan’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
luchten , luchn , luchten. Wie zult de kaemer is luchn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
luchten , lochten , luchten , werkwoord , 1. door de buitenlucht fris worden 2. uitstaan, dulden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
luchten , [opfrissen] , lochte , lochtj, lochdje, gelochtj , luchten, een frisse wind ergens doorheen laten gaan , Det hoes mós ins good gelochtj waere.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut