elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lover

lover , lover , In de schippersuitdrukking er is gien lover wind, er is zelfs geen koeltje, het is blakstil. – Vgl. Oost-Fri. de wind fangt an to lofern, de wind loferd up, wat gezegd wordt als na een windstilte de wind opsteekt en de slap neerhangende zeilen van een schip beginnen te klapperen en daarna gaan zwellen; zie verder KOOLMAN 2, 523.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lover , löfken , Loovertje. Zoo dünne as ’n löfken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
lover , louver , loover.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lover , lovertje , zelfstandig naamwoord , in de uitdrukking dat is zo dun als een lovertje : zeer dun (bijvoorbeeld gezegd van pannekoeken) (LPW: IJss) Een lovertje is hetzelfde als een (boom)blad.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
lover , loverties , leuverties , meervoud , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook leuverties (Zuidwest-Drenthe, zuid) = lovertjes als versiering, bijv. op een jurk Platte rondties met een gattien waren loverties (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut