elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: looi 

looi , [stier] , looi , voor stier.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
looi  , loei , looi.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
looi , looi , schors van de eikeboom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
looi , looj , schors
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
looi , lói , zelfstandig naamwoord , stier (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
looi , looj , loj , zelfstandig naamwoord , WBD mannelijk kalf; ook loojkalf genoemd; WBD lòj, loj - stier; A.P. de Bont – lo'i, zelfstandig naamwoord m. (weinig gebruikelijk) stier. Antw. LOOI zelfstandig naamwoord m. - stier, Fr. Taureau; looj; gemalen boomschors
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut