elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lollig 

lollig , lollig , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , 1) Prettig. – Zie lol I. || ’t Is zo’n lollige vent. ’t Was lollig, hoor! Ik ben zo lollig in me lijf (zo vrolijk gestemd). – In deze zin ook elders gebruikelijk. 2) Slaperig, lodderig. || Ik ben toch zo lollig, ik ken me ogen haast niet open houwen. – Vgl. bij KIL. “lolle-bancke, Zeland. j. slaep-bancke,”, Eng. to loll, lui hangen, zich uitrekken. Zie FRANCK op lol.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lollig  , lollig , prettig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lollig , lollig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. lollig Dou toch nich zo lollig (Nsch), Doe kist dat nou wel lollig vinden, mor ik vin er niks an (Erf), Ai wolden zeker ook even lollig wezen (Eev), Bin ie soms de lolligste thuus? tegen iemand die te leuk probeert te zijn (Dwi), Hij is de lolligste thuus, op de klinke nao (Hgv) 2. dronken Hij was al mooi lollig (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut